HERMAN HEIJERMANS
... neemt nu een adempauze

Home | De uitgave | Opzet van het project | Toneelwerken | Achtergronden | Secundair | Interactief

Navigatie

Heijermans' toneelteksten online:
Achtergronden

Zoek op de site

De website
Teksten online
Achtergronden
Welkom
Kolder in de Jonge Jan
Scheveningse vissers
Coenens Visboeck
Socialistische tendenz
Een mijnbezoek
Antimilitarisme
Coenens Visboeck
Secundair
© 2015 M.G. Vonder,
contact

 

De vissers van Scheveningen

Scheveningse bommen | Achtergrond | Fragmenten uit Op Hoop van Zegen

Het Wilhelmina-paviljoen te Scheveningen door Ary Pleysier, geschilderd in 1850

Scheveningse bommen

Uw gids  Op de voorgrond van bovenstaand schilderij van Ary Pleysier aan de rechterkant het paviljoen van de eerste vrouw van Willem I, Wilhelmina (gestorven 1837). Midden: vissers die vis sorteren bij hun Scheveningse bom; tot 1904 bezat Scheveningen geen haven, maar moesten de platbodemschuiten op het strand worden getrokken. Bovenstaande afbeelding is ontleend aan de website Scheveningen toen en nu en afkomstig van het Haagse Gemeentearchief.
Twee bommen, met paarden ervoor, op het Scheveningse strand met links twee strandbezoekers met een hond en op de achtergrond links het paviljoen Von Wied; vervaardiger: Hoppenbrouwers, J.F.; 1850
(klik op het plaatje voor meer afbeeldingen uit de Beeldbank van het Gemeentearchief Den Haag)

En nu, voor ik verder ga, iets rechtzetten: het stuk Op Hoop van Zegen, waarvan hieronder een fragment, speelt zich niet af in Scheveningen. Dat is iets waar Heijermans zeer de nadruk op legde, om identificatie van bepaalde namen en situaties te vermijden. Vooraf staat dus "het Spel geschiedt in een Noordzee-vissersplaats" en in het programmaboekje liet hij drukken: "de Scheveningse kostuums duiden niet aan dat de handeling daar ter plaatse plaatsvindt" (zie editie Van den Bergh, Amsterdam 1995, p. 5). Waarom, is duidelijk: toen hij een dergelijke veralgemenisering een paar jaar later vergat bij de beschrijving van een diakonessenhuis, gingen twee toneelcritici onmiddellijk poolshoogte nemen om de schrijver eens duchtig de oren te wassen.

Achtergrond

Hieronder neem ik met dank een foto over van de site Scheveningen-haven. Per haven (wij volgen vooral de plaatsen waar HH gewoond heeft: Wijk-aan-Zee, Katwijk en Scheveningen), wordt elk schip beschreven met de naam, het jaar, het model en de reder.

Scheveningse bomschuit 'Martina' uit 1897

Scheveningse bomschuit 'Martina' uit 1897, reder Cornelis den Dulk Gzn. Bron: Scheveningen-haven.nl (fotograaf onbekend)

Uit mijn woordenboeken Koenen van 1930 en na-oorlogse Van Dale put ik de volgende informatie:
• "bomschuit" = "vischpink".
• "vischpink" zie "pink" = "visschersvaartuig, zie "Buis". Bij Van Dale: = "haringbuis, voorheen ter haringvangst gebruikt".
• "buis" = "platboomd visschersvaartuig"; lokale namen zijn: "smak", "botter", "pink". Lengte 25 meter (lees maximaal), breed en log, van voren hoger gebouwd dan van achteren.


Uit Van Dale nog:
• "platboomd": met platte bodem of weinig diepgang.
• "botter" = "vissersvaartuig met één mast, ronde boeg en vrij smalle steven"; - "eert. op de Zuiderzee [!] gebruikt voor haring, bot, ansjovis en garnalen".
• "II. bom" = "7. platbodemd, breedgebouwd vissersvaartuig met twee zwaarden, inz. voor versharing - en kustvisserij".
• "visserspink" = "vaartuig voor de zeevisvangst, inz. te Scheveningen".

De komst van de veel snellere logger (ook als zeilschip) en een houtwormplaag in 1907 (zie de invoering van de Visserijwet in 1909!) verhaastten de verdwijning van de bomschuit aanzienlijk; na 1918 verdwenen. Katwijk bezit een replica, te Scheveningen is daar in 2012 een stichting voor opgericht.

Op Hoop van Zegen, fragmenten uit het tweede bedrijf

En nu laat ik een oude bekende aan het woord, die meer haar op de tanden heeft dan ik, Marie de Roode. Hier is ze:

Marie de Roode, voorvechtster van de arbeidersbeweging en tekenares   Even voor de uitvaart van de "Op Hoop van Zegen". Kniertje is jarig. Zoon Geert heeft net een half jaar gezeten voor handgemeen met een meerdere, maar is door reder Bos in genade aangenomen. Broer Barendje is zoek.
Tweede bedrijf, zesde toneel.

Scène II, 6 uit de originele voorstelling door de NTV, 1900
Heijermans' vaste gezelschap de Nederlandsche Tooneelvereeniging, tableau de la troupe, Geert met Kniertje voor de deur
(Bron: Hunningher 1947 p. 113, fotograaf onbekend)


GEERT, door linkse deur: 't Lijkt alle hens op 't dek hier! Dag allemaal! Op Simon wijzend. Lazerus? Hé, Simon!

SIMON, grommend: uh - ja...

MARIETJE: Laat 'm nou maar!

GEERT: Bliksems, wat ben jij opgetuigd! Nog 'n kwartier, jongens! Jo schenk maar in. (Tussen Kniertje en Jo. Daar ga je moeder! Proost! Santjes, Jo! Santjes, Daantje! Sàntjes!

 Maar Daantje is ingeslapen, en Geert zegt:

GEERT, vrolijk: Hahaha! Zal ik 'm porre? Ik kan 't wel zònder korvijnagel[1]. zingt

Rijzen, rijzen, laat je niet nooien,
Stuurboordskwartier springt uit je kooien!
Je kan an dek wel zwemmen gaan.
De regen is goed, en de wind is gedaan.
't Is rijzen, 't is rijzen,
't Is rijzen voor stuurboordskwartier!
bis
Slaat met de hand op tafel - de anderen klappen mee
Hahaha!



Rechts: Souffleursboek Op Hoop van Zegen met een tekening van de Scheveningen 47 door C. Ritman, 1919. Onder het deuntje staat: "gage".
(Bron: Archief Heijermans, theatercollectie Bijzondere Collectie UvA/Tin)
Souffleur Ritman tekent de Sch 47

DAANTJE, schrikt wakker. Algemeen gelach: Dat kan jou ook overkomme op mijn leeftijd.

GEERT: Hahaha! Ik wor niet oud. Lekke schepe motte zinke!

JO: Nou Geert!

SAART: Hij wordt niet oud! As je dat voor 'n poos had gezeit, toen je d'r uitzag as 'n slappe vadoek... Maar nou! 't Zitte het je goed gedaan, jong!

Mesdag, bomschuiten voor vertrek
"Mesdag, voorbereidingen voor vertrek" door Hendrik Willem Mesdag. Bron: Wikimedia Commons

Naar Wikipedia: Bomschuiten werden honderden jaren langs de Noordzeekust gebruikt voor de vangst van platvis, rondvis en verse haring. Het waren platboomde schepen (zonder kiel) van ruwweg 15 bij 7 meter met een mast en twee zwaarden om het driften te beperken. Omdat vissersdorpen, als Vlaardingen, Scheveningen (tot 1904), Noordwijk, Katwijk en Egmond geen van alle een haven hadden, werden de schepen bij terugkomst aangeland, in feite gestrand, wat de levensduur aanzienlijk beperkte. Voor en na de winterberging moesten ze op rollen worden vervoerd, hetgeen gebeurde met drie tot vier span paarden (elk 3 paarden) en zeker tien man. Op het schip konden twaalf bemanningsleden, bij kleine typen 7 man; de lading bestond uit 14 tot 18 last, na de afschaffing van het verbod op haringkaken (1857) vergroot tot 30 last[7]. De lading werd ter plekke op het strand verhandeld via afslag, onder gemeentelijk toezicht. Er kwam dus altijd volk af op het aanmeren van de schuiten.

   De verloofde van Marietje komt ook binnen, en het wordt een vrolijke boel, al waarschuwt Kniertje (zevende toneel):


KNIERTJE: Toe, jullie motte niet zo uitgelate zijn. Da's niet goed. angstig Enne - Barend?

MEES: Dat weet ik niet!

KNIERTJE: Je zou toch samen de bultzakke en de stoppekissies...[2]

MEES: Mot met de schipper! Is dat een zeeman!

JO: Mot? Nou al herrie?

MEES: Ik kan d'r geen woord van navertelle - bang, bàng, altijd bang! Tot Marietje, die Simon heeft bewogen heen te gaan. Ga je mee?

JO: Nee, eerst een slokkie, tante is jarig.

MEES: Wel verdraaid! Nou-è, nou-è - Knier, nog vele jare!

KNIERTJE: Je hebt me angstig gemaakt.

JO, lachend: Angstig?

KNIERTJE, vals: Ja, angstig! Daar verwondert ze zich over. Ik heb voorschot van Bos opgenome.

GEERT: Hij het toch getekend. Kles toch niet, moeder!


 En net als het feest weer losbarst met rebelse liederen, komt Bos voor het open raam langs:


BOS, driftig schreeuwend: Wat moet dat hier? Algemene verschrikte stilte. Maak goddome dat je an boord komt! 't Is je tijd! Woedend af.

KNIERTJE: Waarom zing je ook zulke gemene liedjes?

GEERT, driftig: Wel verdomd! Ben ik in me huis of niet? Als ik niet zo raar had zitte kijke, die ouwe kikker ineens voor je oge - dan had ik hem z'n kast uitgeveegd! Maak dat je an boord komt! Die is bang om te vare, die bang voor de moeder van de diakenie, die voor zo'n klein redertje! In me eige huis verbieje! Kommandere alsof ik z'n knechie ben.

SAART: Gekheid is gekheid: as jij reder was, zou je ook niet wille dat een matroos zong as een sociaal.

KNIERTJE: En terwijl-ie weet hoe afhankelijk ik ben.

GEERT, heftig: Afhankelijk! Wees niet afhankelijk! 't Is een eer voor je om bij hem schoon te make! 'k Zou geld toebetale! Zeg dank-ie as je de bril van z'n bestekamer mag schrobbe![3] Afhankelijk!

JO: Maak je toch niet kwaad, malle jongen!

KNIERTJE: O, o, wat zal ik een standje krijge, zaterdag...

GEERT: Jij, een standje? Waarvoor? Als je je niet je hele leven door die braniemaker, die zelf met niks begonnen is, had laten trappe en behandele as een sloof - terwijl me vader en me broers om voor hem duite te verdiene op 't Zand zijn gebleven[4] - dan zou je hem z'n huid volschelde dat-ie de brutaliteit het gehad z'n bek open te doen!

KNIERTJE: Ik zal, ik zal... God zal me beware!

 En dan komt Bos binnen stuiven, woedend:


BOS: Ben jij soms óók van plan om niet mee te gaan?

GEERT, nors: Heb jij 't tegen mijn?

BOS: Tegen jou, ja! driftiger De waterschout is gewaarschouwd!

GEERT, ingehouden: Ik heb maling an jou en an de waterschout! Ben jij bedonderd! Wie zegt dat ik niet na boord zal gaan?

BOS, tot Knier: Die andere jonge van je, die Hengst as oudste gemonsterd het - verdomt 't!

KNIERTJE: O, goeie God!

BOS, tot Geert: As je niet binnen de tien minute an boord ben, laat ik je door de politie hale!

GEERT: Jij laat hale? Wie denk jij dat je voor je heb?

BOS: Wie ik voor me heb, vraagt-ie, durft-ie vrage... tot Kniertje Jij mot weer 's een goed woord doen voor een oproerling, die de Marine niet hebbe wil.

GEERT, grimmig: As ik het voor moeder niet liet, dreigend dan...

BOS: En dat in jouw huis... Goeiedag bij de deur Knier, Knier, weet wel wat je begint. Te goeder trouw heb ik je voorschot gegeven.

KNIERTJE: Ach ja meneer, ach ja...

Kniertje op kantoor bij reder Bos
Scène uit de film van Op Hoop van Zegen uit 1918. Kniertje met reder Bos, zijn dochter Clementine in het midden.

BOS: Je ene zoon wil niet mee, je andere... Jij komt nog is verkeerd terecht, vrindje!

 Even later barst de bom helemaal:


BOS: 'n Redelijk matroos die op het punt staat te trouwe, most blij zijn dat z'n patroon 't goeie met hem voor het. Zou je vader, die een door en door braaf man was, een reder hebben durve dreige? Jullie jonge jonges hebben nog geen respekt voor grijze hare!

GEERT: Mooi zo. Weer een afstraffing op de voorparade. Respekt voor grijze hare? Wis en donders! Maar dan voor grijze haren, die grijs zijn geworden in gebrek en beroerdheid.

BOS, schouderophalend: Je moeder het me as kind voor de prikkebakke zien staan. Ik heb ook bij een oostenwind die je oren afsnee prikkekoppen gebeten.[5]

GEERT: Doe maar geen verdere verhalen, meneer. Je heb je knap opgewerkt, je ben een man van cente geworde, en een tirannetje. Best! Je zal wel niet slechter dan andere zijn - pissebed of kakkebed! in me huis laat je me met rust! Me vader was van een ander slag dan ik. We worde allemaal van ander slag - misschien beleve me zoons het nog is, dat as ze net as ik, twaalf jaar gelejen, bij de reder op kantoor komme om huilend te vrage of er al nieuws is van vader en twee broers, ze niet d'r patroon vinde bij een grokkie en een warme kachel en een sekure brandkast - niet godverdomme hore spele omdat er zo dikkels om hetzelfde gelope wordt, niet de deur uit worde gesnauwd met de boodschap: dat as er nieuws is je 't wel hore zal...

BOS: Dat lieg je! Dat heb ik toen niet gedaan! - En, als je wat ouwer geworde, wat wijzer - dan zal jij je schame over je brutaliteite - de reder bij een grokkie, een warme kachel...

GEERT, spottend: En een brandkast.

BOS, driftig: En bij zorge, waarvan jij geen benul heb! Wie geeft jullie allemaal te vrete?

GEERT, bedwongen-rustig: Wie haalt de vis uit zee? Wie waagt z'n leven elk uur van dde dag? Wie komme in geen vier, vijf weke uit d'r klere? Wie lope met handen vol zoutvreters? Wie hebbe geen water om d'r kop en d'r pote te wasse? Wie slape as beeste in het volkslogies in kooie twee an twee? Wie late moeders en vrouwe achter om aalmoeze te bedele? Met twalef koppe gaan we strakkies in zee, van de hele besomming krijge wij vijf en twintig, jij vijf en zeventig procent[6] - wij doen het werk, jij zit veilig thuis. Je schip is geassureerd, en wij - wij kenne verrekke as een ongeluk gebeurt - wij zijn de assurantie niet waard!

BOS: Da's een vermakelijk jong! Jij most clown worde in een circus! Zeven en twintig procent zijn hem niet genoeg.

GEERT: Van jouw gulheid zal ik geen labberdaan vrete! 't Hele aandeel in "winst en verlies" als het goed loopt, brengt je acht gulden in de week in, een gulden per dag - as het goed gaat en je niet verzuipt. Jullie wete waarom je ons op deel laat vare...

 Nu weten we meer van het leven op zee, nietwaar? Maar dit was maar één van de zoons van Kniertje, de andere komt nog... wanneer het huis leeg is. Vijftiende toneel.


BAREND, vlug links opkomend: Ssst!

KNIERTJE: Beroerde kwajongen! Wat ssst! Ik schreeuw het dorp bij mekaar as jij niet dalijk Geert en Jo achterna gaat.

BARENDhijgend: As je Geert kan tegenhoue, hou 'm dan terug!

KNIERTJE: Ben jij krankzinnig geworde van angst, grote lafbek!

BAREND: De Hoop van Zegen deugt niet, deugt niet! De ribhoute zijn rot, de dele zijn rot! O God, hou Geert toch terug! Simon, de scheepmaker, het me gewaarschouwd...

KNIERTJE: Simon de scheepmaker, die dronkelap, die geen twee woorde prate kan- je ben een misselijke kwajongen. Eerst tekene, dan weglope! Sta op!

BAREND: Nee, al ransel je me dood! Ik ga niet mee met een schip dat niet zeewaardig is.

KNIERTJE: Kan jij dat beoordele? Het 't schip niet op de helling gelege?

BAREND: D'r was geen kallefatere meer an! Simon...

KNIERTJE: Hou je bek met je Simon! Vooruit, neem je pakkie sjek.

BAREND, schreeuwend: Ik ga niet, ik ga niet! Je weet 't niet, jij het 't niet gezien! De laatste reis het-ie een voet water gemaakt!

KNIERTJE: De laatste reis? Een schip dat pas op de haringvangst is geweest voor de vierde reis en nog veertien last het meegebracht![7] Is het nou ineens mis geworde, nou 't gaat beuge[8] en jij, beroerde lafbek, mee mot?

BAREND, koortsachtig-beangst: Ik heb in het ruim gekeken, de tonne drijve op het water... jij ziet de dood niet die daar benejen zit.

 Er helpt geen moedertje-lief aan: Barend is verstijfd van paniek en weigert mee te gaan. Eind van het lied is, dat hij door de politie gehaald moet worden, Knier zelf maakt zijn handen los van de deurpost...

En nu heb ik nog een paar vragen. Hoe kan het zijn, dat een reder, zowel als de verzekeringsmaatschappij en de overheid, zich niet meer om hun materieel en manschappen bekommerden? Hoe kan het, dat men jaar op jaar die "drijvende doodskisten" liet varen, en het verlies van mensenlevens (nu weer twaalf man, met zestien kinderen) op de koop toe nam, alsof de dood erbij hoorde als je uit vissen ging? Op de afbeeldingen hierboven hebt u kunnen zien, hoe de schepen na de vangst op het strand gezeuld werden: daar waren drie of vier span paarden voor nodig plus tien man, die de rollen moesten verplaatsen. Is het een wonder dat de onderkant van die schepen in een paar jaar zo versleten was, dat er "geen kallefateren meer an" was? Waarom werd er niet naar alle waarschuwende geluiden geluisterd, en was er een houtwormplaag in 1907 voor nodig (met de nodige extra slachtoffers) om de Visserijwet erdoor te krijgen? Waarom is er eigenlijk nooit echt grondig onderzoek naar dit schandaal gedaan, en waarom is Heijermans, onze beste toneelschrijver met een vlijmscherp oog voor sociale misstanden, ondanks zijn succes maar half serieus genomen? Ik beloof u hierbij dat ik alles in het werk zal stellen, om de onderste steen boven te krijgen. Al moet er, zoveel jaar na dato, een parlementaire enquête aan te pas komen.

En nu weer terug naar boven.

--------

 

Noten
1. Korvijnagel: houten of ijzeren pen waarop touwwerk wordt vastgesjord.
2. Bultzak: stromatras. Stoppekissie: proviandkistje.
3. Bestekamer: gemak, w.c.
4. 't Zand: mogelijk de Goodwin Sands bij Engeland (Ramsgate).
5. Prikkekoppe, prikkebijte: prik of lamprei was aas voor kabeljauw, die levend moest worden gehouden tot hij aan de lijn ging, dan moest de kop eraf.
6. Besomming: opbrengst van de vangst, de bemanning kreeg er "deel" (aandeel) van, in plaats van gage.
7. Last: 14 ton of 17 kantjes, een kantje = plm. 620 haringen (per schip 150.000-200.000 haringen).
8. Beuge: beug = lange vislijn met dwarslijntjes (de sneu) waarmee men op kabeljauw en schelvis viste, een volledig beug was tot 20 kilometer lang. Nou 't gaat beuge: nu de vangst gaat beginnen.


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Nieuwsbrief ontvangen

Doneren aan het project

 
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014, de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr. en officieel gelanceerd op 24 september 2015.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana 14 px. Alle wijzigingen voorbehouden. Deze website gebruikt geen cookies.
copyright en disclaimer
Voor de op deze website gepubliceerde teksten van Herman Heijermans geldt de licentie CC-BY-SA 4.0 (Naamsvermelding-Gelijk Delen). Alle andere materiaal, inclusief ontwerp, opzet en achtergronden, valt onder normaal auteursrecht. Mocht een rechthebbende aan onze aandacht zijn ontsnapt, dan verzoeken we deze zich te wenden tot de redactie. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam