HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact
Week van het Luisterboek
18 t/m 24 mei
 

Zoek op de site

De website
Hoofdpagina
Mission statement
Opzet van deze site
Verkrijgbare teksten
Aangepast lezen

Teksten online
De 7 vette dagen
Herenhuis te koop
De buikspreker
Kwelling

De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Over socialisme en Tendenz
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery

Secundair
Oeuvrelijst toneel
Versiegeschiedenis
Bronnen
Biografische notitie

De Retraite
De ontvangsthal
De boekerij
De tentoonstelling
De muzieksalon
Scheveningse vissers
Coenens Europa
Oplaadpunt

© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam

KWELLING

Een voorstelling door Toneelgroep Baal
gevolgd door een inleiding
en de volledige tekst

 

Inleiding

In het ingebedde frame hierboven bevindt zich een opname van de eenakter Kwelling, een dialoog, uitgevoerd in 1985 door toneelgroep Baal in een regie van Mark Timmer, gespeeld door Hans Dagelet als "Hij" en Pierre Bokma als "Zij" en op de vleugel Marjes Benoist. De televisieregie is van Rob Klaasman voor de VPRO. Muziek: Maurice Horsthuis, decor: Jeroen Henneman. Gepubliceerd op Youtube op 9 juni 2013. De opname duurt 55 minuten.

In Seymour L. Flaxman: Herman Heijermans and his dramas, Den Haag 1954, staat over Kwelling het volgende:

De man is [net als in Saltimbank] invalide en volledig afhankelijk, maar het is de vrouw die jaloers is. Dit past in Heijermans' theorie dat een lichamelijk gehandicapte man heel goed een valide held kon zijn, want de auteur wist dat jaloezie iets is van de geest. De "dialoog" zoals het genoemd wordt, vindt plaats in een zonverlichte serre. Kort voor de echtgenoot zijn gezicht verloor, raakte hij geboeid door een andere vrouw, de vriendin van zijn ega. Hoewel haar vriendin heeft geholpen om hem te verzorgen in zijn blindheid, bekent de echtgenote dat zij door jaloezie ertoe is gekomen de andere vrouw te haten. Nu heeft zijn vrouw ontdekt dat hij een foto van de vriendin heeft bewaard in zijn bureau. Ze is geobsedeerd door de gedachte dat als haar man stil zit in zijn blindheid, hij denkt aan haar vriendin. Doodmoe van het onophoudelijke doorzagen van zijn vrouw, belooft hij haar alleen in zijn gedachten te zien. Maar als ze de kamer heeft verlaten, tast hij zich een weg naar het bureau en vindt het portret. Hij drukt er zijn lippen op en verscheurt het, met de woorden:
  Ik weet 't tòch, tòch.
  ZIJ, weer binnentredend, verrast: Ik dacht, dat je...
  HIJ, glimlachend: Hier zijn de snippers. Ben ik nú niet van jou?
  Angstig-starend neemt zij ze aan. Hij blijft in z'n stoel glimlachen.
En het doek zakt.
In deze ontroerende studie geeft de toneelschrijver een levendige glimp van een man en vrouw, gekweld en getormenteerd niet om sociologische, maar om psychologische en emotionele redenen. Met vaardige streken onthult hij de gemartelde geest van een liefhebbende vrouw die totaal geblokkeerd wordt door twijfels en verdenkingen. Sinds hij blind werd, is de echtgenoot meer de hare geweest dan ooit tevoren, maar zij is niet in staat om de gedachte van zich af te schudden dat hij de andere vrouw ziet in zijn blindheid. [...]
De keuze voor een blinde man als de hoofdpersoon maakt de jaloerse liefde van de vrouw des te schrijnender. Verbitterd door zijn blindheid, en geïrriteerd door de pogingen van zijn vrouw om achter zijn diepste geheimen te komen, houdt de man vast aan de zekerheid van zijn innerlijk.
De schrijver is in staat zijn dialoog te gebruiken om de gespannen emotionele sfeer te creëren, en door geen enkel obstakel gehinderd beweegt het stuk snel en vloeiend naar zijn effectieve slot. [...] Net als in Het Kind, drie jaar eerder, suggereert de gelaatsuitdrukking van de vrouw aan het einde haar besef dat er enkel een pauze is ingelast in haar tragedie, geen oplossing.
Hieronder volgt de volledige tekst. Wilt u terug naar de pagina Heijermans aangepast lezen, klik dan hier.

 

KWELLING. Een dialoog
(1906)

 

DRAMATIS PERSONAE

HIJ
ZIJ

Het toneel verbeeldt een in zonlicht glanzende serre. Langs de achtergrond fleurig bloeiende palmen en heesters

 

Zij voor een damesschrijfbureau, laat de penhouder vallen, kijkt voor zich heen, draait zich langzaam naar hem toe

HIJ, in een rieten tuinstoel, ontvouwt de handen, luistert: Waarom hou je op? Je schrijft niet meer...

ZIJ: Zit je niet te veel in de zon?

HIJ: Nee.

ZIJ: Zal 'k je stoel toch maar niet liever 'n beetje verplaatsen?

HIJ: Nee. Nee. 'k Vind die warmte heerlijk. - Laat me maar stil zo. - En schrijf... Zij herneemt de penhouder, blijft voor zich uit staren.

HIJ: Waarom doe je 't niet?

ZIJ: Omdat...

HIJ: Omdat?...

ZIJ, zich bedwingend: 'k Ben al bezig. Schrijft even in stilte, werpt gejaagd de pen neer. Ik kan niet. Ik stik. Stoot een deur in de glaswand open, blijft er hijgend voor staan. Hij beweegt niet. Met moeite 'r snikken bedwingend, gaat ze op hem toe, schuift een taboeret bij, grijpt z'n hand, die hij zonder verweer in de hare laat. Laten we nu eens uitspreken - helemaal uitspreken...

HIJ: Waarover? Wat bedoel je.

ZIJ, zijn hand loslatend: Over... 'k Dacht... Terwijl 'k m'n brief schreef, kreeg 'k zo'n wanhopig gevoel, was 't of jij in gedachten zat, in gedachten, die...

HIJ: Geloof je, dat 't 'r íéts toe doet, of m'n gedachten al of niet opgewekt zijn? 'k Wil ook wel lachen, als 'k je 'r mee plezier. 't Moet prachtig weer zijn. 'k Heb de vogels in geen tijd zo tekeer horen gaan.

ZIJ: Wil je wat wandelen?

HIJ: Om door iedereen nagekeken te worden? Nee.

ZIJ: Wij kunnen toch in de tuin?

HIJ: Dan zien de buren me. Nee. Lachend. 'k Heb vandaag geen lust beklaagd te worden. Neem niet zoveel notitie van me. Da's niet de goeie manier. Hoe minder je... Zij barst in snikken uit. ...Nou. Waar dient dat voor? Als je met huilen blinde ogen ziende kon maken, had 'k làng weer 't gebruik van die dingen gekregen.

ZIJ: Als je uitsprak...

HIJ: Uitsprak? Wat kom je telkens op 't zelfde neer! Ik - ik heb, meen 'k, voorgoed uitgepraat - met àlles.

ZIJ, dof: Alleen niet met mij.

HIJ een weinig onrustig: Met jou níét? Als je denkt, dat ik... dat ik... Praat jij dan. Niewaar?

ZIJ: Zul je niet boos zijn? Hij schudt lachend 't hoofd. Beloof je dat vast? Hij knikt. Zo eerlijk als je maar iets beloven kan?

HIJ, glimlachend twee vingers opstekend: Wil je dat 'k 'r bij zweer, bitter, bij de Almachtige?

ZIJ, z'n hand omlaag trekkend, die vurig kussend: Nee. Dat hoeft niet. Als je maar belooft, innig belooft, dat je geen rancune zal houen. Niet om alles in de wereld, zou 'k je met 'n kleinigheid willen hinderen - dat begrijp je - dat voel je. Zolang 'r niet over gesproken is, blijft 'r iets tussen ons... Een stilte.

HIJ: Nou dan.

ZIJ, aarzelend: Goed... Als je, wanneer ik je op de een of andere manier pijn doe - misschien làch je 'r om - me waarschuwt, dat 'k mijn mond moet houen... Ja? Hij knikt. Zie je, toen je ogen nog zo gezond waren als de mijne, keek je wel eens naar andere vrouwen - God gaf dat je 't vandaag nòg kon! - en als ik dan knorde, zoals iedere vrouw, niewaar, daarvoor zijn we vrouwen! - dan zoende je me in m'n humeur...

HIJ: Ja, ja...

ZIJ: Je vertelde me alles. Je had niet één enkel geheim. Dat dacht 'k tenminste - tot kort voor je ziekte. - Als je, háár had gezien, kon je van mij geen woord velen - als je met háár had gepraat, was je stil - als zij kwam, dee je vrolijk - als we met z'n drieën waren, dorst je 'r niet aan te kijken... Wil 'k liever?...

HIJ, zacht: Ga door...

ZIJ: Nooit, nooi heb 'k 'r een syllabe over gezegd - omdat zij m'n vriendin was. En jíj zei geen woord. 't Was de eerste keer, dat we over zó iets zwegen - dat ik huilde als jij 't niet zag. Staat op, schuift z'n stoel 'n weinig uit de zonnebranding weg. Zo zit je beter. 't Is daar te warm. Ze zit weer op de taboeret, zwijgt even. Op 'n avond - in augustus - haast twee jaar geleden - zaten jullie hier, in de schemering - weet je nog? - en toen ik binnenkwam - zeer aarzelend - verbeeldde 'k me, verbeeldde ik me...

HIJ: Dat?...

ZIJ: Dat je haar hand los liet...

HIJ: Dat heb je je níét verbeeld. 'k Líét haar hand los. Zij was beter dan ik. Ik had de kleine, kleine schuld. Ik. Zij niet. Als je dat nóú nog kwalijk neemt in m'n toestand van vandaag, moet je dat zelf weten.

ZIJ: Als 'k 't kwalijk genomen had, zou 'k 'r toen over los gekomen zijn. Tóén. Je hoort 't nu voor 't eerst. Zij, m'n intieme vriendin - jij, m'n man - dat kòn niet - dat was onbestaanbaar - daar waren jullie te goed voor. Ik zou me geschaamd hebben iets te zeggen.

HIJ, zacht: Ik flirtte - zij niet.

ZIJ: 'k Ben nog niet uitgepraat. Of?... Hij schudt 't hoofd. Toen 't ongeluk gebeurd was, 't vreselijke, hebben we gedaan wat we konden - zij en ik - zij en ik - zij meer dan ik...

HIJ, gejaagd: Jij.

ZIJ: Niet waar. Nee, niet waar. Ze heeft meegeholpen je te verplegen - ze was haast niet van de vloer - ze bewoog zo bezorgd als ik, huilde - als ik. Wij twee - ja, wij sámen - hadden 'n èchte vriendin aan 'r, 'n troost, 'n steun, om op je knieën voor te danken. En toch, toch... met drift heb 'l ogenblikken van haat gehad, haat als ze snikte, haat als ze bleek door 't huis ging, haat als ze voorlas, haat als ze je hielp - aan je ógen... Houdt verschrikt, de opstuimiging der herinnering onderbrekend, in. Zo slecht was 'k, zo ontoerekenbaar-wreed, zo gemeen - 'k biecht eerlijk. Een stilte. Ben je boos? - Heus niet?...

HIJ, haar hand nemend: 'k Weet niet wat ik daarop, op zo'n uitval, antwoorden moet. Was jij, jij domme gans, nòg jaloers op 'n aan z'n stoel, z'n kamer, z'n handen en voeten geboden, als 'n kind zo onmachtig man? - Zeg je niks? - Foei. Hoe kon je... Jaloers...

ZIJ: Ik was 't - ben 't nòg.

HIJ: Nòg? - Nòg? - Jaloers op 'n blinde en 'n vriendin die in geen zes maanden hier is geweest? Waarom martel je jezelf zo? Waarom doe je 't mij? Weet je geen beter troost dan zulke absurde, absurde gesprekken? Moet 'k in m'n donker, m'n vervloekt donker, zonder houvast aan iets of iemand, nòg op de pijnbank? Laat me dan liever alleen, alleen met m'n gedachten, alleen met m'n rust! Is zenuwbevend opgestaan, kreunt in z'n stoel terug.

ZIJ, de handen wringend: Als 'k zo gesproken heb, is 't omdat 'k zielsveel van je hou. - Heb 'k je een dag, een uur, 'n ogenblik aan jezelf overgelaten? - Heb 'k iets meer van buiten gezien dan jij? - Meer geslapen dan jij? - Meer geleefd dan jij? - Meer vrede gehhad dan jij? - M'n enig doel, m'n enige hoop, was je naar omstandigheden 'n beetje geluk te bezorgen, wat afleiding, wat kleine vreugden. Zij - nee, in geen zès maanden is ze hier geweest, 'k weet 't. Maar wáárom is ze zo ineens zo plotseling, zo onverwacht op reis gegaan? Waarom niet één brief?...

HIJ, dof: Omdat - omdat ìk toch niet meer lézen kan, domme meid...

ZIJ: Had ik ze niet voor kunnen lezen?

HIJ: Natuurlijk...

ZIJ: Waarom schreef ze dan niet?

HIJ: Dat begrijp ik niet...

ZIJ, moeilijk over 'r aarzeling heen: Zie je, lieve, lieve vent, ik zou God zo danken, als je niets voor me verborgen hield, als 'k 't heerlijk, vertrouwelijk gevoel hadd, dat ik alleen voor je bestond, ik alleen in je hoofd leefde, ik alleen - als in de jaren toen je uren geduldig wachtte om me enkel te zien...

HIJ, vriendelijk-hartelijk: Heb 'k niet alle reden van dankbaarheid, kind - àlle, àlle reden voor 'n oppassing waarvoor 'k geen woorden kan vinden?... Als 'k de toppen van je vingers kus, zie ik je blond haar met de scheiding in 't midden, en je bruine ogen, en je neus, en je mond, en je kin, en de kleine moedervlek bij je hals. Ik ben je zo dankbaar voor je toegewijdheid, je geduld, je oneindige takt tegenover mijn buien van prikkelbaarheid, dat 'k 't geen minuut buiten je zou kùnnen stellen - Een stilte. Zijn we uitgepraat?

ZIJ, triestig: Nog niet.

HIJ, verrast: Nog niet?

ZIJ: Iets heb 'k nog verzwegen.

HIJ, hulpeloos-geïrriteerd: Heeft 't niet lang genoeg geduurd? Heb je 'r lust in 't te rekken? Zeg op! Zeg op!

ZIJ: Als 'k je 'r zó mee ontstem - liever niet.

HIJ, : Zeg op - nou wil ìk 't!

ZIJ, aarzelend, dan snel: Ik vind 't zo ellendig, zo... Maar 't móét - 't móét. Vanmorgen heb je 't nog gedaan - gister - eergister - elke dag - soms twee-, driemaal...

HIJ: Wàt?

ZIJ: 'r Portret verlegd...

HIJ: Da's niet waar...

ZIJ: 'k Smeek je, zeg dat niet. Je maakt 'r me zo angstig mee, zo afschuwelijk angstig.

HIJ, zacht: 't Is niet waar.

ZIJ: Die avond, toen hiernaast de haard brandde, toen 'k je de krant had voorgelezen, en voor m'n bureautje toevallig de portretten van vrieenden en kennissen bekeek, nam jij ze een voor een in je handen, vroeg wie 't was... Bij dat van haar, boog je 'n hoekje om. Een stilte. Bij die van je vader en moeder niet - Ook niet bij 't mijne.

HIJ, glimlachend: Dat moet 'k onbewust hebben gedaan - of 'n toeval.

ZIJ, smartelijk: Ik lei háár portret - mèt 't hoekje - onder de andere in de la. De volgende morgen lei 't boven - iedere dag op 'n andere plek - iedere dag verschoven. Nog gister, nog vandaag. - Dat is alles.

HIJ, na een stilte: Misschien bèn k 'r aan geweest. '- Als je dàt zo vreselijk ontrust, neem 't dan weg en verscheur 't. Dan hoef je niet meer te kontroleren.

ZIJ: En dan... Hartstochtelijk: O, ik zou 't kunnen uitschreeuwen! Die kleinigheid heeft mee zo wanhopig gemaakt - vóór ik de moed had 'r over te praten! Als je stil zit, niet praat, niet beweegt - als je glimlacht, nadenkend ben, mijmert - als je iets liefs zegt, iets teers, iets innigs, verbeeld ik me, dat je háár voor je ziet - niet mij...

HIJ, koortsachtig: En als!... En als! Heb 'k niet één vrijheid meer? De vrijheid van herinnering aan dit, aan dat! Je maakt me krantzinnig - je maakt me gek, met dat opdringen van dingen die niet bestaan, die niet bestaan hebben, die niet bestaan zullen! Snuffel de la met portretten na, smijt ze weg, let op elk van m'n gebaren, op elke stilte, op elk zwijgen, maar wroet niet in hersens - die afgebeuld zijn!

ZIJ, hartstochtelijk: Als 'k de macht had te wéten wat 'r in je omgaat!

HIJ: Heb je die vroeger gehad, toen ik zàg?

ZIJ: Nee.

HIJ: Waarom kwel je je dan nu - nu ik hulpeloos ben?

ZIJ: Omdat ik zo vurig hoopte, dat je dóór je hulpeloosheid alleen voor míj zou zijn.

HIJ, mat: Dat ben 'k.

ZIJ, smekend: Zeg me dan - ik hou zoveel van je - zeg me dan, dat je enkel mij voor je ziet, als je 'n uur van tevredenheid heb. - Dan zou je me zo gelukkig maken.

HIJ: Enkel jou.

ZIJ: Altijd?

HIJ: Altijd. - Leunt achterover. En laat me nu alleen. Ik ben moe.

ZIJ, hem kussend: Niet boos? Nee? - Ik heb toch alleen jóú. Verlaat aarzelend de serre.

HIJ, zit met gesloten ogen, staat tastend op, gaat op de la van het bureautje toe, bevoelt de hoeken der portretten, neemt er een, drukt er de lippen op, verscheurt het: Ik weet 't tòch, tòch.

ZIJ, weer binnentredend, verrast: Ik dacht, dat je...

HIJ, glimlachend: Hier zijn de snippers. Ben ik nú niet van jou? Angstig-starend neemt zij ze aan. Hij, blijft in z'n stoel glimlachen.

 

Naar boven


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Aangepaste
postzegels

ten bate van de
aangepaste website

Prijs: €12,50
per vel 10 zegels

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in HTML 4.01 en Verdana.
privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam