HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact

Navigatie

VERSPREIDE ARTIKELEN III
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery....

Zoek op de site
De website
Teksten online
Project teksteditie
De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Tooneel en Maatschappij
Eene Antikritiek
Over socialisme en Tendenz
Franz Mehring over kunst
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery
Secundair
Achtergronden
© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam
Uit: De Nieuwe Tijd, 12de Jaargang 1907, p. 63-72


 

  "Hij moest ook komen, die brenger van een nieuwe boodschap...."
(Jan. C. de Vos)

"De komst van Gordon Craig is het begin van een nieuw tijdperk voor het theater...."
(Eduard Verkade)

"Ik beschouw de uitnoodiging van den Rotterdamschen Kunstkring, om mijn theater-ontwerpen te Rotterdam ten toon te stellen, als een ontwaken van de betere tijden, die voor den schouwburg dicht op komst zijn...."
(Gordon Craig)
  De echtelijke verbintenis - naar men zegt - van Isadora Duncan, die na befaamde fietsracers het meest met haar kuiten verdiende 1), en van den "brenger eener nieuwe boodschap" Gordon Craig, is een symbool temeer voor de aan ondergangs-symbolen zoo rijke bourgeoisie van vandaag. Te lusteloos, te uitgeleefd, te prat op andere aangelegenheden, om de schitterende monumenten van haar eigen bloei-periode ongerept te houden, vernielster, bevuilster der kunst van het verleden - immers zonder zuivere geestdrift of schakelende bezieling - verlekkert, vergeilt, verkneutert ze zich, natlippig en met zwemmende oogen, gedistingeerd evenwel en in besloten bonbonnières - aan de laatste prikkels der kunstmode. Duncan - Gordon Craig. Om 't even of 't buitenland er den room van schepte, of ginder 't geval zijn fleur en geur verloor - in de Hollandsche uitgepraatheid, de slapheid van veel onderling getwist, te grabbel gesmeten energie, blijven ruimte, speelsche lust, om doode buitenlandsche dingen nog eens op te warmen.
  Laten we vooropstellen, dat de "nieuwe boodschap" des zelfgenoegzamen Engelschen heers, voor den wetenden Hollander slechts de vage bekoring der  h e r h a l i n g  eener mede door ons druk-beargumenteerde stelling heeft. We leven vrij snel. Wat voor tien jaar naarstiglijk werd geschreven, is na tien jaar vergeten, in hoofdzaak omdat het betoog niets schokkends, noch buitengewoons had, en omdat tegen de geweldige macht van onverschilligheid en maatschappelijke impotentie de gewichtigste utopie in kunst-verhoudingen op apegapen raakt. We releveeren het volgende alleen, om deugdelijk te doen uitkomen, dat de "nieuwe boodschap" ons in theorie niet afstoot, althans  h e t  g e z o n d  d e e l   d a a r v a n, dat we ons uitsluitend tegen de malle, poenige, zieke franje van den profetischen clown verzetten. Jaren geleden - om en om 1894 - werd door eenige schouwburg­minnaars een gelijktijdige campagne tegen de afzichtelijkheid der klassieke vertooningen gevoerd. Jan Kalf [sic], André Jolles, schrijver dezes in een dagblad, ontrafelden maanden aaneen de onkunstzinnige liederlijkheden, het wanbegrip, de schoffeering der publieke vertooningen, zoodra een stuk van hooger beteekenis voor het voetlicht werd gebracht. De kern dier campagne (Sophocles, Shakespeare, Vondel) bestond geenszins in heftigheid van bemerkingen aangaande spel, verzenzeggen of wat dan ook, gelijk bij tooneelcritiek gebruikelijk schijnt, neen de aanval was hardhandig tegen de industrieele, vunzige, in elk opzicht onpasselijk-makende, het stuk in z'n waarachtig-innerlijk bespottende  w i j z e  v a n  v e r t o o n e n  gericht. Hoe verwoed en met innerlijke overtuiging was in die jaren '94, '95 het betoog voor een vaststaand tooneel, voor het compleet, geserreerd houden van ieder Shakespeariaansch bedrijf, voor fantastischen eenvoud, voor verwijdering van alle hoonende werkelijkheids-nabootsing, in één woord om den dichterlijken arbeid van de lorrige bijmengsels moderniteit, poppekast-dekoor, confectie-kostuums etc. te ontdoen. Als Shakespeare een tragedie in vijf bedrijven schept, zoo redeneerden we ongeveer gezamenlijk, dan willen we het (verderfelijk) voordoek hoogstens vijf maal zien vallen. Elk der tafreelen moet volgens de  i n  a l l e s  b e s l i s s e n d e  z i e n i n g  v a n  d e n  d i c h t e r  en naarmate de beteekenis dier tafreelen zulks verlangt, op het verhoogd of op het voor-tooneel en  z o n d e r  e e n i g e  o n d e r b r e k i n g  plaats hebben. En vooral geenerlei vorm van realistisch dekoor of realistische aankleeding, hoogstens de wisseling van tot de stemming van een tafreel behoorende onreële lappen, wier kleur en figuratieve versiering niet in contrast met het levend gebaar, het levend lichaam, geraakt. Een dusdanig begrijpen der centrale bedoeling en van den primitieven eenvoud van een klassiek drama, zou, meenden we, bij een voorgelicht deel van het onwetend publiek dezer tijden wonderen kunnen verrichten, althans de artistieke genoegdoening die het restaureeren van elk schoon monument met zich mede brengt. Zeer in den breede werden deze denkbeelden aan 'n nièt snappend, door onkunde en wansmaak bedorven auditorium meegedeeld. De heeren Jan C. de Vos, 2) Van Looy, Bauer, die Craig's brochure "De Kunst van het Theater" met begeleidende aanbeveling aan Holland voorzetten, konden van het streven van '94, '95 op de hoogte zijn. Wat zij als "nieuws" aanschouwden, was voor ons ouds, tot vervelends toe bepleit. Een "nieuwe boodschap"..., "een nieuw tijdperk voor het theater"..., "het ontwaken van de betere tijden voor den schouwburg" - ach, ach, mijne heeren: aan dié zotteklapperijen heeft geen onzer zich in den vurigsten strijd bezondigd. We wezen den weg - we hamerden op het aambeeld - we toonden met voorbeelden en voorbeelden, hoe het kon, hoe het kunstzinnig, theoretisch móést - we werden bekapitteld - noch André Jolles, noch Jan Kalf, noch wij, verdwaasden ons in den belachelijken schijn van nieuwlichterschap. De pleiter voor gemeenschapskunst Jolles laat thans niet van zich hooren - Jan Kalf, waarschijnlijk beu van veel gedoe, is met volle zeilen de idealen der katholieke levensbeschouwing toegestevend - wij, sinds '96 lid van de Sociaal-demokratische Arbeiderspartij, hebben ons niet meer dadelijk druk over kunst-uit-het-verleden gemaakt, omdat we in de eerste plaats hadden leeren inzien, dat bijkomstigheden geen aandacht van groote lijnen mogen afhouden, in de tweede ernstiger plaats ons de leering gewerd, dat geen  i n d i v i d u e e l e  poginkjes in de kapitalistische maatschappij, langer leven dan dat van een vlieg hebben. Wat baatte gezwets tegen theater-ondernemers welk nut had het in den grond unfair gekwel van kooplieden-in-kunst, waar men wist dat die lieden nooit leiden konden, maar geleid werden, dat de heerschende klasse betaalde of niet betaalde, al naarmate haar directe òf indirecte belangensfeer dit meebracht, dat hier, in zelfs geen uitzonderingsgeval over geaarzeld kon worden, dat de ondergang eener klasse met de verwaarloozing der eenmaal sterke klassekunst gepaard moest gaan, dat de schouwburgen als reflex van menschelijk leven en maatschappij, uitsluitend op den duur - op den duur - datgene konden voortbrengen wat de verwordende geest der periode eischte, verlangde, woú. De bourgeoisie van heden verveelt zich bij Vondel, Shakespeare, tenzij bijv. de laatste tot een kijkspul van dekoor en technische vindingrijkheden verlaagd wordt. De bloeiperiode van café-chantant, zinnelijke vertooningen, abnormale prikkels, die vermoeide zenuw-overspannen periode, moet de reine bezieling voor het metrum van den dichter missen. Ieder der zuster-kunsten, bouwkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, tooneelkunst, schrijfkunst, is een ikkerig, anarchistisch paadje ingehold. De werkelijke tragedie, de echte, groote, het treurspel als kunstzinnige behoefte eener wakkere geemeenschap, is slechts denkbaar als
b a n d  v a n  a l l e  m e k a a r  a a n v u l l e n d e,  b e g r i j p e n d e  z u s t e r k u n s t e n. In de kapitalistische maatschappij met haar noodzakelijk-ontwortelende pressies, behoort zulk eene samenwerking tot de puurste onmogelijkheden. Omdat het groote Ideaal dat in vroegere tijdperken ontstond, in het onze van burgerlijke zijde onbereikbaar is. En wij - wij tirailleurs, we tellen niet mee, omdat we wel met open oogen de ontaarding zien, haar voor ieder klaar trachten te maken, haar groei ons betrekkelijk verheugt, maar geen dáád in die richting van òns kan gewacht worden, wijl we zelf in de kapitalistische maatschappij leven en de voorwaarden voor eene waarlijke verandering op dit ogenblik binnen niemand's bereik liggen. Het spreekt vanzelf, gelijk we in de XXe Eeuw, over de  t e c h n i e k  der schouwburgkunst pratend, uiteenzetten, [1] dat in het bijzonder in Holland door menschen met andere dan enkel platte routine-kennis ook praktisch te doen valt, dat de Hollandsche theater-industrie ongemeen-achterlijk is - maar die waarneming sluit alle utopie van veranderingen  t e g e n  h e t  m o g e l i j k e  uit. Het mogelijke in dezen is het bijwerken van het technisch-achterlijke - een "nieuwe boodschap" is niet te brengen. Wij, sociaal-demokraten, van-huis-uit voorstanders van gezonde gemeenschapskunst - kunst uit de idealen eener gemeenschap groeiend - wij brengen met verrukte kelen, blijmoedig-lachende gelaten, lichtende oogen, de eenige boodschap die gebracht en volbracht zal worden. Dat wil zeggen: in dezen tijd brengen we  v o o r  d e n  s c h o u w -
b u r g  niets (i.e. overgangspogingen - amusement door strijd verdrongen). Wij weten dat de theaterkas de normale leider van elke theater-onderneming is, dat die Kas nauwkeurig den publieken smaak aanteekent, dat zulk een Kas door den een of anderen rijken grappenmaker tijdelijk gesteund kan worden, dat als simpele wet van oorzaak en gevolg de Kas  r e g l e m e n t e e r t, dat weelde-steden als Parijs en Londen door eene luxueuse bourgeoisie luxe-doosjes met Wedekind-perversiteitjes en genre-rosse-schouwiteiten kunnen mainteneeren - we weten dit als het a-b-c der lagere school, we weten het en hale de ouwe koebeesten met bedwongen gaping van stal, omdat het "nieuw" geval van den Engelschen sinjeur de afmeting van 'n vondst aanneemt, innerlijk wanhopig-potsierlijk is. Daar hebben nu artisten als Van Looy en Bauer de geestdriftige pen opgenomen - daar regent het "onderlegde" artikelen - daar geeft de uitnemende "Nieuwe Rotterdammer" dikke feuilletons - daar wordt in den "Rotterdamschen Kunstkring" een deftige tentoonstelling gehouden - daar maken zich lieden met gespekte beurzen op, om eene voorstelling in  g o r d o n -
c r a i g e r y  mogelijk te maken - daar laat een jong tooneelkunstenaar zijn broodnoodig oefenterrein in den steek om schildknaap des profeten te worden!...

 

  Om bijzondere redenen citeerden we straks de herinnering aan het overgaan naar de Sociaal-demokratie. Als regel hebben de meeste kunstenaars, zoo ze al niet uitgesproken quasi-anarchist zijn, een diepe minachting voor "bourgeois". De bourgeois is dan 'n heer, die geen sikkepit van, over, in "kunst" voelt. Worden de grieven, teleurstellingen, bij een nadenkend man zoo groot dat hij de maatschappelijke oorzaken onderzoekt, in plaats van zich in aristocratisch-gevoelige "eenzaamheid" op te sluiten, dan heeft hij kans tot gelukkig evenwicht te komen - blijft hij wolken en schaduwen bevechten, blaast hij zichzelf tot een Redder, een onbegrepen Weter, een Verkondiger op, dan zal hij juist in de tot rust geraakte ontleders van kunst-en-maatschappij zijn grootste vijanden meenen te moeten vinden. Arbeiders, uw tocht is de toekomst - met gretigheid scharen we ons in de menigte, zeggen de ontwaakte kunstenaars. Arbeiders, je herrie is mijn làmste ellende, zegt het warhoofd Gordon Craig, terwijl-ie voelt, weet, ziet, dat de kunst-van-het-theater in modder baggert. Instinctief raast deze Redder, deze Profeet, tegen degenen die hem de laatste stutten onder 't theorie-gebouwtje móeten wegslaan. De bourgeoisie, die hem als clown duldt - ongevaarlijk, die kunst-revolutionair! - dijt tot z'n vriend; de ontwaakte arbeiders met hùn relatieve theaterverlangens, ranselt-ie met 'n varkensblaas. "De stukken in de theaters", zegt hij in de  "K u n s t  v a n  h e t  t h e a t e r" - "zijn artistiek bezien mislukkingen, het theater zelf is artistiek en commercieel een mislukking, en 't geheim dezer mislukking?  D e  s t r i j d  t u s s c h e n  d i c h t e r  e n  p u b l i e k". In dezen trant orakelt de man er op los. Enkele citaten, om de beteekenis van den nieuwen Boodschapper saam te vatten:

  "De katholieke kerk wil mysterie uitdrukken en slaagt hier volkomen in; dat zij niet méér uitdrukt, ligt daaraan, dat zij zelf zich beperkt in de keuze van 't geen zij uitdrukken wil. Het theater daarentegen, begonnen met de bedoeling alles uit te drukken, van 't ernstige tot het vroolijke, drukt niets uit, en bezit heden zelfs geen vleugje mysterie meer. Daarom is het een volkomen mislukking.
  "Hoe het theater der toekomst zou wezen? Veel ernaast zijn we stellig niet, als we zeggen, dagt het geheel van 't hedendaagsche verschillen zal. Zelfs de vorm van 't gebouw zal denkelijk heel anders zijn; waarlijk we durven welhaast zeggen dat 't moderne theater op het toekomstige zal lijken als de klei-hut van den inboorling op het Parthenon. Hoe het theater van de naaste toekomst ook wezen moge, in elk geval van het hedendaagsche verschilt het evenzeer!" (Blz. 15.)

Merkwaardig en niet voor de poes. Doch verder:

  "'Hamlet' zal nog een tijdlang opgevoerd worden, en de plicht van de vertolkers is, dit naar hun beste krachten te steunen. Maar, zooals ik zei, het theater moet niet eeuwig afhankelijk blijven van 't opvoeren van een stuk, maar vroeg of laat stukken spelen, die tot zijn eigen kunst behooren."(Blz. 23)

  "Dat men geen werkelijke kunstwerken op het tooneel ziet, komt, omdat het publiek die niet verlangt, niet omdat het theater de uitstekende werkkrachten mist, die zooiets kunnen voorbereiden - maar omdat het den kunstenaar mist - begrijp goed: den theaterkunstenaar, niet den schilder, dichter of musicus. De vele goede werkkrachten, waarvan ik sprak, kunnen, de eene al minder dan de andere, den toestand veranderen. Zij moeten wel leveren, wat de theater-directies verlangen, maar zij doen dit met tegenzin. Kwam er een kunstenaar in de theaterwereld, dan zou dit alles veranderen. Langzaam maar zeker zal hij de beste werkkrachten, waarvan ik spreek, om zich zamelen, en samen zullen zij nieuw leven brengen aan de kunst van het theater." (Blz. 24)

  Bekwaamde de tooneeldirecteur zich technisch voor zijn taak om stukken van dramatisten te vertolken - dan zou hij spoedig en geleidelijk het voor 't theater verloren terrein herwinnen en ten lest de kunst van het theater terugbrangen in haar huis door zelf te scheppen." (Blz. 24)

"Als de tooneeldirecteur werken van dramatisten vertolkt met behulp van zijn tooneelspelers, decoratieschilders en zijn andere werklieden, dan is hij een werkman, een meester-werkman; wanneer hij met handeling, woord, lijn, kleur en rythme zelf weet te werken, wordt hij een kunstenaar. Dan hebben we niet langer schrijvers noodig - want onze kunst zal onafhankelijk zijn. (Blz. 25.)

  Dat niet "langer noodig hebben" van schrijvers, is een aardig, herhaaldelijk bezwiept stokpaardje van den Profeet, waarover we hem niet te hard zullen vallen. Immers voor dit sociaal-demokratisch orgaan heeft het geenerlei belang of er in den anarchistischen kunst-vijver 't een of ander bijzonder specimen met twee hoofden en drie staarten bij is verschenen. Indien de zuiver-zinnelijke  g o r d o n - c r a i g e r y  vat op het theater krijgen kòn, indien deze nieuwste decadentie werkelijkheid werd, zouden wij allen, die  i n n e r l i j k e  schoonheid met  i n n e r l i j k e  oogen en ooren plegen te aanschouwen, de reine, groote, weldadige Natuur boven eeen schouwburg-rarekiek verkiezen. Loop naar den drommel, kleuren-paljal, coulissen-kwant, zouden we zonder uitbundigheid zeggen - laat ons met je foetus-ideaaltjes met rust - we prefereeren de mysterie van het woud, de zee, den sterrenhemel, de stilte.... En ons in contemplatieve, verlangende, blijdmoedige uren in een andere deel der oneindige schepping willende vermeien, mag en zal ons de lust besluipen den denkenden, dichtenden Mensch,  z o n d e r  p o e s p a s  te aanhooren. Dat is de consequentie, sir, van het Alschoone, gebracht tot het leven-van-werkelijkheid, sir.... En uw praatje met een leek:

  "L e e k : Ja, toen begreep ik nog niet precies, wat ge meendet, en hoewel ik nu zie, waar ge op afstuurt, zie ik toch nog niet het tooneel zonder zijn dichter voor me.
  V a k m a n : Waarom? Wat missen we, wanneer de dichter niet langer voor het theater schrijft".
  L e e k : Het stuk.
  V a k m a n : Gelooft ge dat heusch?
L e e k : Het stuk zal toch niet bestaan, als er geen dichter of schrijver is om het te maken? V a k m a n : In den zin zooals gij het bedoelt, zal er ook geen stuk bestaan."

dàt praatje, gunnen we u graag. Smijt gij, dekoor-maniak, alle dichters, Shakespeare, Maeterlinck etc. overboord - wij zullen rustig buiten 'n pijpje rooken, met 'n stuk weiland in 't verschiet en 'n hollandsch vlondertje en wat lekker smak-happende eenden en wat menschelijk-knorrende biggen en zwijnen. God, Sir! - sir God - 'n de koeien melkende, gezonde boeremeid, met opgestroopte armen en 'n snuit van zomersproeten, is 'n zoo heerlijk product....
  De anarchistische Heilsleger-meneer Gordon Craig heeft voor ons andere - afstootender dingen. Onder z'n theater-ontwerpen komt o.m. een  H o n g e r-vertooning voor, die hij zelf tekstueel beschrijft - aldus:

H E T  M A S K E R  V A N  H O N G E R.
  Voor de eerste beweging in den proloog van "Het Masker van Honger" geteekend en geschreven door Edward Gordon Craig.
  "Bij de eerste muziektoon scheurt het gordijn, een ding, ál lomp en vlekken, in 't midden open en men ziet een man met afgrijselijk masker op een heuveltje van modder staan. Hij ademt zoo zwaar, dat men 't haast snurken kan noemen; een soortgelijk geluid, dat een os maakt, als zijn maat naar de slachtbank gebracht wordt. Van zijn rechter arm hangt een dood jongetje dat hij naar 't publiek uitstrekt. Hij toont de gestalte aan allen, ze heen en weer bewegend, en onderwijl hoort men steeds dat ingehouden geloei. Zijn bewegingen zijn langzaam en wel overwogen - wij denken dat alle gevoel en leven uit hem zijn gevloden, als uit het doode lichaam in zijn hand.
  Van alle kanten, en van beneden klinken herhaald echo's van zijn eenzame kreet, en deze nemen nieuwen vorm aan. Ze worden tot woorden: "Pijn... pijn... en smart..." die zingend door de lucht gonzen, of als vloedgolven om zijn voeten stuwen. Dan valt een zware regen, eerst langzaam, dan als een hagelstorm en ten laatste zóó snel en dicht, dat de twee gestalten aan het oog onttrokken worden en alles ophoudt - vizioen en al".

  Ge moet nu wel begrijpen, dat die  H o n g e r-vertooning geheel ideëel, schoon van lijn en kleur wordt uitgevoerd - een lust van verlichting, tooneelschijn, sombere visie voor de duur-betalende bourgeoisie in de zaal. Als de "zwarte regen" het waarlijk-akelig beeld aan de oogen der dames en heeren "onttrokken" heeft, moet de sensatie van eene schoone, benauwende  m y s t e r i e  tot aan het souper blijven nawerken. Met het souper houdt de honger op. Voor het proletariaat wordt de kleuren rijke verschrikking nièt gegeven. Die smullen aan geen honger-illustraties en daarenboven - we releveerden het - aan  p r o l e t a r i a a t  e n  o p s t a n d  heeft de Ridder-van-het-theaterschoons 'n gloeiende puist. Immers, al of niet  H o n g e r  schilderend, fantaseerend, zegt hij in de  V o o r r e d e  van den catalogus voor den "Rotterdamschen Kunstkring" o.m. woordelijk de merkwaardige overpeinzingen:

  De plicht van het theater tegenover de menschheid is - èn als kunst èn als voorstelling - het geven van meer rust en van meer wijsheid door de veredelende opwekking, die van haar Schoonheid uitgaat. Photografisch en phonografisch realisme schaadt den geest van het volk - het geeft een grove en onnauwkeurige voorstelling van het uiterlijk, zichtbaar leven - zonder de waarachtige kern - het wezen - de schoonheid ervan."
  "Welk onderwerp de kunstenaar aangrijpt is van weinig belang - maar het moet hem een genot zijn in alles wat hij aangrijpt de lichtpunten te zoeken en die helder te doen schijnen."
  "Realisme bergt het zaad van Opstand in zich en hoezeer het menschlijk hart ook getrokken wordt tot hen, die het noodlot onophoudelijk vervolgt - nooit moet de kunstenaar zijn kunst met haar ontzettende, emotiewekkende kracht leenen tot de verstoring van dat juiste evenwicht, dat de menschheid steeds zich ten doel stelt te scheppen en te bewaren.
Want geen gif werkt sneller - woekert sneller voort dan dit valsch-getuigende realisme, dat de verbeeldingskracht bedriegt - de leelijkheid verafgoodt en ons als haar offer zou willen doen vallen door middel van het moderne realistische theater.
  Dat realisme ging uit van Parijs (maar eerst na 1789!). Een tijd lang bloeide het - maar terwijl het de groote massa wist te boeien, wekte het afkeer bij de fijner-beschaafden. Toen trok het naar Rusland en nu heeft het juist in Duitschland zijn hoofd opgestoken. Noch in Amerika, noch in Engeland en Ierland is het doorgedrongen - daar weet het theater dikwerf succes te behalen door zijn banaliteiten, zelfs zonder de hulp van het realisme.
  Aanmatigend en gevaarlijk - druischt het tegen alle wetten der tooneelkunst in. - Aanmatigend, omdat het onmogelijk is de natuur weer te geven - gevaarlijk, omdat het het rustige leven van den burger bedreigt.
  Voor elke kleinste uiting van opstand weet het theater een echo te vinden - de onheilspellende gezichten, de schuifelende bewegingen - de donkere en geheimzinnige tooneelen - de spasmodische uitroepen der acteurs - alles helpt mee één grooten indruk te vormen van naargeestigheid.
  Helaas - dit alles is valsch - en het tooneel onwaardig èn als instelling van het Rijk - èn als Kunst.
  Met de vrijheid van het theater - vrij in de keus van zijn stukken - vrij van de voogdij der andere kunsten in zijn wijze van opvoering dier stukken - rijst een nieuwe hoop. Alleen door zijn vrijheid kan het zijn grootheid terugvinden."

  Is het duidelijk? Behoeft het iets anders dan eenvoudige cursiveering ter plaatse, waar de man van de "nieuwe boodschap", wiens komst "het begin is van een nieuw tijdperk voor het theater", de onmondigste brabbel-geluidjes stamelt? Is deze blaaskaak geen merkwaardig type van den in-burgerlijken kunstenaar, door de ontaarding van zijn vak terecht gebelgd, maar zonder distinctief vermogen? Hij wordt gebrand, gepijnigd - begrijpt niet door wien, door wat. Hij drijft, half stikkend aan het oppervlak van een water, verweert zich tegen den ballast aan z'n voeten door het water te mepppen, te knuppelen, te raken, te mishandelen. Onder het oppervlak kijkt hij niet - de donkere, slijk-troebele leelijkheid der verschijnselen daar hatend. En als er door z'n gestrubbel en misbaar riool-bellen stijgen, stopt-ie 'n zakdoekje met odeur in, om de neusgaten! O, welk een aanmatigende clowns baart deze "houdingglooze tijd"....
  Welk 'n kunstgedoe, als 't getrommel op 'n resonneerende schedel....

 

  Wij zeiden het bovenstaande geenszins in verdedigende houding van iets of iemand. We bewierooken noch realisme, noch naturalisme, noch idealisme, noch eenig ander isme-in-kunst. Het gewichtig indeelen in soortjes laten we aan derden over - wij kunnen 't buiten etiketten, waar de uiterlijke vorm der den ernstige sociaaldemokraat hoofdzaak blijvende  l e v e n s b e s c h o u w i n g, zijn normalen groei vanzelf zal vinden. Wij, waarlijk behoeven ons geen moment over het al of niet aanwezig zijn van het een of ander vorm-isme druk te maken, omdat de sappige kern ons liever dan de schaal-variatie is. De burgerlijke idealist besnuffele onze vrienden, verklare met rimpel-ernst en spichtige wangen, dat we dit of dat zijn, dat we oude vorm-wegen bewandelen - wij, we kunnen voortgaan. De kern verdraagt 'n stootje. Niemand van ons doet aan wisselruiterij.[2} Wij zijn en blijven in alles kinderen van den tijd. De bestrijding der  G o r d o n - C r a i g e r y, met de profeten-allures, met de boek-opdracht: "Aan mijn oude en trouwe kameraden van de Toekomst" etc. vindt géén grond in eenig "kunst"-verschil. We toonden het geblageer aan, de windbuilerigheid, de hoog-vermakelijke fratsen. Van Walter Crane heeft de Padvinder niet vernomen....

 

  Technisch gesproken - den man van z'n humbug ontdoend - hem nog billijkheidshalve als fantastisch dékorateur en costumier in 'n paar woorden bepalend, meenen we dat de eigen kunstenaars niets van hem te leeren hebben. In een lief zaaltje de collectie ontwerpen bekijkend, zouden we dupe kunnen worden. Al zulk materiaal eischt uitvoering. En voor zoover wij, door regie-arbeid, recht hebben mee te spreken, is er wel veel verward talent aanwezig, wat moois, maar méérder vergissing en verminking van eens dichters bedoelen. De eerste de beste, hoezeer profeet in eigen oogen, moet zijn persoonlijke fantasie, zijn gemoderniseerde opvatting, niet voor hooger, fijner, gevoeliger dan die eens Shakespeare willen opdringen. Dat ergert. Shakespeare, gehouden in de lijst van z'n tijd, in z'n eigen, onvervreemdbare verbeelding, die 't buiten uiterlijk-fraais móést, kón stellen, moeten we vertoonen zònder valsche bijmengsels, met een minimum van fantastisch modernisme. De methode van den décorateur Gordon Craig, blijkens zijn ontwerpen, zou elk bedrijf weer in zooveel mooten als er tafreelen zijn, hakken, derhalve in de oude principieele, grove fout vervallen. Zijn ontwerpen, hier en daar den eenvoud, ofschoon niet sterk genoeg, bereikend, dien de ijveraars van 1894, 1895 voorstonden, mogen in practische beteekenis hoogstens als visies van één enkel dramatisch moment worden opgevat - voor den vollen duur van zelfs één tafereel, zijn ze reeds beletsel voor spel, beweging, etc. De gordoncraigery, bij welk stuk van Shakespeare ook - zonder coupures - werd in technischen zin de vermoording van den dichter. Want de dékorateur, de tegen realisme vechtende regisseur, doet in dit geval niet anders dan telkens vermoeiend-veel realiteit baren, realiteit in nuances: poorten, paleizen, monumentale trappen, lichtende manen, kathedralen, theater-kostuums, etc. In ontwerp No. 81, om 'n voorbeeld te geven, is een poort breed van lijn, ruim en statig, geheel voldoende, 'n in beperking gehouden realiteit. Maar wee de malligheid in den horizon dier poort - trapjes, figuurtjes, andere malligheidjes, om van om te vallen! Een nieuw, stuitender voorbeeld geeft No. 64 (arbeid van 1906...te koop voor f 151.20), zijnde het ontwerp voor een achterscherm "Het Pad". Let nu eens op - in dat achterdoek, er in, in perspectivischen schijn, schildert Gordon Craig een pad. Elke levende figuur tegen dat verfpad aan, zal de illusie voor den voelenden toeschouwer verbreken - het oude, misselijke theatergeknoei, dat de auteur van 'n "realistisch" stuk al dadelijk met verwoedheid mijdt. Beter alles tot de logica van een kamer-intérieur te concentreeren, dan realiteits-bedrog van 'n pad in de verte, 'n tuin, 'n zee, etc. Het technisch gemodder van den man van de "nieuwee boodschap" is, om te resumeeren beslist te verwerpen:

A. Omdat hij het werk van den dichter in diens geestelijke eenheid aanrandt.
B. Omdat hij het van zijn fantastischen eenvoud ontdoet.
C. Omdat hij bij voortduring in de ouwe theatrale realiteit vervalt, waartegen wij sinds jaren protesteerden, waar het de opvoering van klassieke stukken gold.
D. Omdat eene monteering van dat gehalte bij het publiek het laatste restantje eerbied voor het gedicht zelve zou kunnen dooden.

  Terwille der onpartijdigheid hebben we alle zijden van het zeepbelletje bekeken. De verheffing der kunsten wacht op een soliederen "dommekracht". De  g o r d o n c r a i g e r y  met z'n grappig geraas tegen de verjonging der maatschappij, met z'n toekomst-geschetter, waar aan elk been 'n dwangarbeidersblok sleept, met z'n anarchistische slooping van eerwaardige monumenten, die 't zonder modern vernis kunnen stellen, met z'n pretentie en gemaniereerd voortzeulen in de óúde lijn van  u i t e r l i j k  v e r t o o n  - is een délicatesse voor de bourgeoisie, gelijk zij zich met binocles aan Duncan's beenen vergast.
  Laten wij ons, om een tegenbeeld voor slot te gebruiken, in stilte aan den geen lawaai makenden arbeid-van-jaren van 'n R.N. Roland Holst in het gebouw van den Diamantbewerkersbond vervreugdigen... Uit en door eene machtige levensbeschouwing gegroeid, offer en toewijding vergend - geen profete-georgel - geen gezwollen strot - geen larmoyeerende schildknapen: partijgenooten, we mógen glimlachen....

 


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana.
 

privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam