HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact

Navigatie

Franz Mehring over Kunst
door Herm. Heijermans Jr.

Zoek op de site
De website
Teksten online
Project teksteditie
De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Tooneel en Maatschappij
Eene Antikritiek
Over socialisme en Tendenz
Franz Mehring over kunst
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery
Secundair
Achtergronden
© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam

Uit: De Jonge Gids jg. II (1898-1899), p. 549-558


  Er dreigt een gevaar in de beschouwingswijze van vele sociaal-democraten over de kunst van dit overgangstijdperk. Beter gezegd en meer herleid tot de litteraire kunst, onder wier jeugdige beoefenaren ik mijzelven rangschik, - de Sociaal-demokratie, de Arbeiderspartij "zit in haar maag" met de "auteurs" die tot haar getreden zijn. De "rol" van die kunstenaars is nog weinigen duidelijk, misschien niemand. Liefst zou men hen missen, lag er niet tegenover de Bourgeoisie zekere mate van leedvermaak in, dat een pittig deel harer krachten tot de "overloopers" behoort. Zóo ongeveer is de situatie. Het dient eerlijk beleden. Kwam deze schuwheid uitsluitend van de zijde der vele klein-burgerlijke, demagogische en dobberend-anarchistische elementen der jonge partij, er zou over gezwegen kunnen worden: Klaarheid rijpt met den groei eener beweging - maar in de latere maanden klinkt slag op slag de grauwheid eener tot in vezels nagespeurde theorie, wier wèrkelijke zin in weinig afwijkt van de vernederende bourgeois-beschouwingswijze over kunst en kunstenaren. Opdat mij nimmer het verwijt van tweeledigheid treffe, wil ik mijne meening in deze mededeelen.

  Sinds lang houden de Hollanders, die zich beijveren de sociaal-demokratische wetenschap in hare groote lijnen te leeren kennen, de oogen op Duitschland gevestigd. De latere Nederlandsche Sociaal-democratie werd langs intellectueelen weg de afschijn van de Duitsche, haar woordvoerders propageerden in hoofdzaak de inzichten en meeningen van eminente Duitsche partijleiders en auteurs. Tot een zekere grens kan ik mij hiermede vereenigen. En die grens wensch ik aan te geven in zoover 't voor dit betoog noodig is.
  Wanneer wij de Marxistische meerwaarde-theorie voor ons land illustreeren, plegen wij - de voorbeelden zijn ontelbaar - onze redeneering te leiden in de richting der groot-industrie. Spreken wij van den slakkengang der arbeidersbeweging, van de traagheid-tot-bewustwording, dan verklaren wij dit door de industrieële achterlijkheid dezer landen. Hebben wij het in geschriften of op vergaderingen over het onwikkelingsproces der productiemiddelen, dan leggen wij wederom nadruk op de evolutie in de grootindustrie. Wij staan met grootindustrie op en gaan met grootindustrie naar bed. Evenals onze naburen. Dit nu is, m.i. gegeven de Hollandsche realiteit van dit oogenblik, gegeven de heldere practijk, vrij van ideologie, een fóút zoowel in den gedachtengang van enkele Hollandsche wetenschappelijke sociaal-demokraten als in de taktiek onzer partij. Wij vergeten dat wij Hollanders zijn. Wij fantaseeren de grenzen weg. Wij



[550]

gedragen ons voor onze schrijftafels als industrieël-machtige Duitschers, wij verzuimen een natuurlijken band te leggen tusschen onze sociaal-demokratische werkelijkheid en de natuurlijke gesteldheid van ons land, van onzen bodem. Wie zijn ònze bezitters, wie - bijgevolg - ons proletariaat? 1) Onze bezitters zijn - ik wil zàkelijk betoogen - in de éérste plaats  g r o o t g r o n d b e z i t t e r s (bezitters van grond in Holland, vooral in  I n d i ë), in de tweede plaats  k a p i t a l i s t e n (houders van rendende aandeelen in diverse ondernemingen, p a s s i e v e  industrieëlen), in de derde plaats  h a n d e l a a r s (transito-vervoerders), in de vierde plaats  i n d u s t r i e ë l e n  (a c t i e v e). Ik weet dat deze indeeling incorrect is èn willekeurig, dat er geen bepaalde scheiding te maken is 2), maar voor de pracctische uiteenzetting der verhoudingen in dit land, kan het geen kwaad de groote nuances van het kapitalistisch stelsel aan te geven. Hetzelfde motief wettigt het onderscheid in 10 Proletariërs in dienst van landbouw en veeteelt, 20 Proletariërs in dienst van handel en vervoer, 30 Proletariërs in dienst van groot- en klein-industrie. Ook deze classificeering is voor een deel willekeurig. Echter niet zóo willekeurig of ik geef er mijne bedoeling mede aan, de vóóropstelling van het landbouw-, veelteelt-, handel- en vervoer-proletariaat, de achterafstelling van het groot-industrieële. Want ik vermeen en alle wetenschappelijke gegevens zijn een waarborg vóor deze meening dat Holland nooit een groot-industrieël land wordt, dat zijn natuurlijke ligging en de natuurlijke gesteldheid van zijn bodem (zonder kolen, zonder ertsen) èn de overheerschende nabuurschap van het groot-industrie-machtige Duitschland èn de exploitaite zijner Indische bezittingen èn het bezit van (alweder) op Duitschland aangewezen riviermondingen, voor nu en voor altijd een beletsel tot Hollandsche groot-industrie zullen zijn. Onze industrie beweegt zich in hoofdzaak in de richting van het plaatselijk verbruik en van de Indische bezittingen. In ekonomischen zin hebben wij reeds lang onze dierbare onafhankelijkheid verloren. Het is voornamelijk het Duitsch proletariaat dat "onze" (Duitsche) productiemiddelen poogt te bemachtigen, d.w.z. den strijd voert tegen "onze" (Duitsche) grootindustrie. Wij zouden vadzigerwijs gesproken de vrijmaking, de overwinning in den klassenstrijd bij een pijp kunnen afwachten: onze rol is een indirecte, een aan de nabuur onderworpene - zijn victorie is de onze. Markanter blijkt dat als wij het koloniaal bezit (dat even als onze onafhankelijkheid van een windvlaag afhankelijk is) wegdenken, waardoor onze industrie genekt wordt en ons ruilvermogen herleid tot een Hollandsch totaal van warenwaarden. "Arbeit ist nicht die einzige Quelle der von ihr produzirten Gebrauchswerthe des stofflichen Reichtums. Die Arbeit ist sein Vater, und die Erde seine Mutter". Deze waarheid wordt m.i. vooral door Hollandsche Sociaal-demokraten over het hoofd gezien. Onder suggestie van Duitsche wetenschappelijken die de Marxistische leer in natuurlijk verband met hún land gebracht hebben, richten zij de activiteit hunner propaganda op de industrieële deelen van ons land (wat gemakkelijker is omdat in industrieële centra de arbeiders gemakkelijker te bereiken zijn en de werking van de kapita-



_______
1) De middenklasse "verwaarloos" ik schijnbaar.
2) Een grondbezit zooals bijv. in Engeland, kennen wij niet.

[551]

listische productiewijze dáar in scherp beeld dagelijks tot de hoofden en harten spreekt) én op de groote steden (waarheen de kapitalistische productiewijze de bevolking drijft, waar vele plaatselijke industrieën zijn, waar eveneens de arbeider te bewerken is). Het platteland ligt en blijft voor het grootste deel braak; het grootgrondbezit, het boerenbedrijf tasten wij aan bij toevallige gelegenheden 1), het grondbezit als wij over woningtoestanden redeneeren. Ons strijdprogram eischt landnationalisatie, onze propaganda kijkt zich dood op groot-industrie.2) Op deze wijze - óók gemakshalve, - volgen wij eene struisvogelpolitiek tegenover het bolwerk van conservatisme, katholieke en protestantsche invloeden. Wij vergeten dat het groot-grondbezit zoowel een monopolie is tegenover de proletariërs als tegenover de klasse der kapitalisten zèlf. En dat alleen omdat wij half-blind zijn voor het meest natuurlijk deel onzer productiemiddelen.

 

  Deze fout in redeneering en taktiek - het in Holland vooropstellen van het grootbedrijf - vinden wij indirect terug in de beschouwingen over kunst in verband met de heerschende productie-wijze. De gedachtengang, ik zou willen zeggen de  D u i t s c h e  gedachtengang, gaat langs dezelfde paden. Men tracht eenheid te brengen tusschen de ethische verschijnselen in Duitschland en die in Holland, miskent de zeer gedecideerde verschillen.
  Volgen wij het betoog van den bekenden en geleerden Franz Mehring, waar hij aan het eind van het thans voleindigd Dritter Band, zweiter Theil der "G e s c h i c h t e   d e r  D e u t s c h e n   S o z i a l d e m o k r a t i e" zeer vluchtig stilstaat bij de verhouding van K u n s t  e n  P r o l e t a r i a a t. - "Tot de middelen der jongeren", zegt hij: om den arbeiderskring te winnen "gehörte  n e b e n b e i  der Versuch, sie durch  K ü n s t l e r i s c h e  S p i e l e an sich zu fesseln. Hatte der bürgerliche Emanzipationskampf, namentlich in Deutschland, eine Reihe seiner entscheidenden Schlachten auf künstlerischem Gebiete geschlagen, so vollzog sich der proletarische Emanzipationskampf,  u n d  z w a r  n i c h t  z u  s e i n e m  S c h a d e n, von vornherein auf ökonomischem und politischem Gebiete. S o  w o l l t e  e s  d i e  h i s t o r i s c h e  E n t w i c k l u n g . . . - das kämpfende Proletariat kam unmittelbar an den Feind  u n d  b r a u c h t e  k e i n e n  k ü n s t l e r i s c h e n  U m w e g  e i n z u s c h l a g e n . . . - D i e  M u s e  v e r s t e h t  z u  b e g l e i t e n  n i c h t  z u  l e i t e n . . . - Audorf, Hasenclever, Frohme, Geib und wie viele noch schmiedeten ihrem wackeren Reim  i n  d e n M u s z e s t u n d e n  d e s  p o l i t i s c h e n  T a g e s k a m p f s : andere, wie Max Kegel, Leopold Jacoby, Rudolf Levant, s t a n d e n  d e r  P o l i t i k  f e r n e r  u n d  d e r  D i c h t u n g  n ä h e r, aber auch sie beanspruchten k e i n e  n e u e  A e r a  d e r  K u n s t  z u  e r ö f f n e n. Sie wollten nur, wie sich der formvollendeste von ihnen einmal ausdrückte, allem



_______
1) Zoo bij de verkiezing te Deventer. Wij hielden en waren daarover verheugd, vergaderingen met veldarbeiders te Wolsem, Olst, Bathmen, Wilp, Twello, De Nul, Wesepe enz.
2) Zoo gaf De Sociaal-Demokraat van 17 Nov. jl. met het oog op diezelfde verkiezing, een wel  z e l d z a a m artikel over  V e l d a r b e i d e r s o r g a n i s a t i e en de beteekenis van de agrarische paragraaf van ons program.

[552]

Zorn, aller Trauer, allem Jubel Luft machen, womit sich der proletarische Befreiungskampf in seinen wechselnden Phasen erfüllte, sich den Ueberschwang der Empfindungen, der ihnen die Brust zu zersprengen drohte, v o m  H e r z e n  s i n g e n . . . Vervolgens legt Mehring nadruk op hetgeen in Duitschland verder voor of door het proletariaat werd gedaan, op den "W a h r e n  J a c o b, einen neuen Sammelplatz  f ü r  d a s  l i t e r a r i s c h  P a r t e i l e b e n", op de  P a r t e i k a l e n d e r etc. Over naturalisten is hij niet te spreken: "Auf dem Boden der bürgerlichen Gesellschaft wollten sie bleiben, als ob mit der möglichst naturgetreuen Wiedergabe des kapitalistischen Schmutzen eine neue Aera der Kunst eröffnet werden könne! Sie sahen nur die alte vergehende, aber nicht die neue entstehende Welt". Dan praat hij zwaar en serieus over Hauptmann en Halbe, om weder bij het proletariaat terug te keren: "Eine tiefe Sehnsucht nach der Kunst lebt unausrottbar in dem klassenbewuszten Proletariat. . . - Aber die Arbeiter erkannten schnell genug die unheilbaren Schwächen des dichterischen Naturalismus . . . Das Proletariat lehnte ab, sich für eine Kunst zu begeistern, die in sehr unkünstlerischer Tendenz nichts von dem wissen wollte, was sein eigenstes und ursprüngliches Leben ist; sollte die Arbeiterklasse demüthiger sein, als die Bourgeoisie, die in ihren groszen Tagen auch immer jene Kunst abgelehnt hatte, die nicht aus ihrem Geiste geboren war? . . . - d a s  P r o l e t a r i a t  s t a n d  d e n  M o d e r n e n  m i t  g e l a s s e n e r  K ü h l e  g e g e n ü b e r, nicht weil es ihre hehren Geheimnisse nicht zu fassen wuszte sondern weil ihre Kunst nicht entfernt heranreichte an die historische Grösze des proletarischen Emanzipationskampfes. Die einzige Spur, die diese Dichterschule in der Arbeiterbewegung zurückliesz, w a r  d i e  g r ü n d u n g  d e r  F r e i e n  V o l k s b ü h n e  i n  B e r l i n. Das kleine Unternehmen trat mit dem Falle des Sozialistengesetzes ins leben unter der "volkspädagogischen" Leitung der Jungen und der Modernen, doch dauerte es nicht lange, bis die Berliner Arbeiter sich die heitere Vormundschaft abschüttelten und selbst ihre Bühne leiteten, die nun nach kränkelnden Anfängen zu groszer Blüthe gedich und bald in Hamburg eine Schwester gewann. G l e i c h w o h l   d a r f  d e r  W e r t h  d i e s e r  k ü nn s t l e r i s c h e n  O r g a n i s a t i o n e n  f ü r  d i e  m o d e r n e  A r b e i t e r b e w e g u n g  n i c h t  ü b e r s c h ä t z t  w e r d e n... immer müssen sie sehr auf der Hut sein, n i c h t  z u  g l e i c h g i l t i g e n  S p i e l e r e i e n  h e r a b z u s i n k e n, d i e   w i c h t i g e r e   A u f g a b e n  d e s P r o l e t a r i a t s  s c h ä d i g e n . . . - Die Kunst darf ihre Wiedergeburt erst von dem ökonomisch-politischen Siege des Proletariats erwarten; i n  s e i n e n   B e f r e i u n g s k a m p f  v e r m a g  s i e  n i c h t  t i e f  e i n z u g r e i f e n.

 

  Met deze woorden besluit Mehring zijne beschouwingen. Nu is het eenigszins moeilijk zulk een nonsens - hier en daar met een juist inzicht - op den voet te ontleden. Mijne impressie is deze, dat kamergeleerden zich te gemakkelijk laten verleiden het levende leven te verstikken in theorie, dat Mehring, slaaf van de Duitsche omstandigheden gelijkwaardige dingen met elkander in kunstmatige botsing brengt (de tegenwoordige Duitsch-burgerlijke kunst met de tegenwoordige Duitsch-burgerlijke-partij-kunst), dat hij voor driekwart redeneert als vastgeloopen wetenschappelijk-sociaal-demokraat-mèt-burgerlijke-l e v e n s b e s c h o u w i n g, dat hij



[553]

de óúde studeerkamer-ideologische vergissing begaat door te spreken van een fantasie-proletariaat, waar hij het waarachtig-levend proletariaat te weergeven had, dat hij zóó-filosofeerend de beteekenis van een kunstenaar-in-het-algemeen verlaagt, verwatert op dezelfde burgerlijke, perverse wijze als de geheele burgerlijke maatschappij haar verlaagd en verwaterd heeft. Verontschuldiging voor den geleerden auteur is dat hij de excrementen van eene door groot-industrie en anarchistische productiewijze vertrapte kunst aanschouwt als uitingen wier wording of zijn op een ernstig plan van bedenken gereleveerd mogen worden (Hauptmann, Halbe enz.) èn dat hij dupe is van eene kleinburgerlijke levensvisie die nog helaas bij vele sociaal-demokraten voortkankert. Het kan niet anders. De navelstreng is onverbroken.
  In de gegeven citaten, wier aandachtige lezing aanbevolen zij, hervinden wij alle elementen dier kleinburgerlijkheid. Bij de bourgeoisie is het een uitgemaakte zaak dat een kunstenaar een raar mensch is, "levend in hooger sferen", een vreemdsoortig heer dat altijd over "kunst" praat, van geen pannekoeken houdt, ideëel verliefd is ('n kunstenaar èn een bordeel: welk een afgrijselijke vernietiging van een "groot-mooie" illusie), verstrooid, Don Juan, in-de-beer, afkeerig van het maatschappelijke (O, die maatschappij is zoo rùw en k w e t s t zoo je teerste e m o t i e s, zielleven, subtieliteit), kortom een vrijer levend, mysterieus-genietend man. 'n Kunstenaar èn 'n student, ziedaar je meest v r ij e bourgeois-bestaan. Diè kunnen een potje breken. Want die artiste, hè, en die studente, hè? . . . hè? - Zoo is in deze rottende maatschappij, als gevolg van de anarchistische productiiewijze, als gevolg (in latere plaats) van het mal-doen der artist-anarchistjes die zich allemaal de hersenpan te splinter braken om de gemeenschap te bevallen terwijl zij gelijktijdig op die gemeenschap spuwden - (Publiek ik veracht je! Ha!) - de enormiteit ontstaan dat een artist 'n soort zwemmend wezen is, half aarde, half dauw, half wolken, 'n individu verre verheven boven de "kleinzieligheden van den dag", een driedubbel fetisch schepsel, ten deele idioot, ten deele overspannen, 'n noceur, 'n zwabberaar, 'n wijwaterbak waarin je je vingers te doopen hebt om het "heilige" van kunst mee-te-gevoelen, 'n begaafd bevoorrechte die schrijft, dicht, treurt, liefheeft om de gemeenschap te amuseeren èn die - hier wat climax - over niets en niemendal anders praten kan dan over "kunst", 'n analoog wezen als een sigarenwinkelier die voor elke vijf driecentssigaren het weer beredeneert. Korter gezegd de bourgeoisie heeft - en ditmaal terecht - haar kunstenaars "geëerd" en behandeld als vaklieden die lief konden dichten, romanschrijven, dramatiseeren, doch verder hun mond hadden te houden: amusements-knechtje hou je bij je leest. Die rol hebben de bourgeois-schrijvers zonder verzet gespeeld. Het sloot aan bij hun artistiekerig verachten en lager-stellen van de omringende gemeenschap, het harmonieerde met hun anarchistische gevoelens, hun begrip van kunst gegeven bij de gratie gods aan eene verzameling ploerten, hun hartstocht om kunst lief te hebben uitsluitend om haar zelf, gratielijk vloeiend uit hun ik  l o s  v a n  h e t  l e v e n. Verbeeld je het gegrinnik van bourgeois, als Kloos in het openbaar had gesproken over de "Ongevallen-wet", Verwey over de "Avondschool-quaestie", Van Deyssel over het "Leerplicht-ontwerp". Dat gaat nou eenmaal niet. 'n Letterkundige moet 't



[554]

hebben over Verlaine, over Maeterlicnk, over naturalisme, idealisme, realisme, vóóral over de "beweging van '80", over "Vondel", over "De Nieuwe Gids", - of (nou dàt mag wel - da's weer zoo-iets excentrieks) over de champie die gekroonde hoofdjes bij kroningsfeestjes drinken, genre Johannes Viator.

* * *

  Iemand als Mehring ziet den kunstenaar zooals de bourgeoisie hem eeuwenlang gezien heeft, als een grillige, beminnelijke aap, een Borneo-aap die opzit, bezighoudt, vlooien pikt en bij tijden - o, die apen en artisten! - z'n abnormaal, vleezig gatwerk laat zien. Iemand als Mehring denkt zich dat 't nou maar zoo voort moet gaan met die artisten, die rare zwabbers met hun gevoeligheden en "groszes Herz", dat je ze goed gebruiken kan, "in den Muszestunden des politischen Tageskampfs", (zie boven). Iemand als Mehring, schoon dan in wetenschappelijk argot, spreekt van "künstlerischen Umweg", van eene "Muse die zu begleiten, nicht zu leiten versteht", van dichters die "der Politik ferner, der Dichtung näher stehen" (weder die zonderlinge verwarring van Politiek met Levensbeschouwing), van een "literarisches Unterhaltungsblatt", van een "literarisches Parteileben", van  a r b e i d e r s die snel genoeg de "unheilbaren Schwächen des dichterischen Naturalismus" opletteden, van "gleichgiltigen Spielereien", van "wichtigere Aufgaben des Proletariats", en last not least: "D e  k u n s t  k a n  i n  d e n  b e v r ij d i n g s k a m p  v a n  h e t  P r o l e t a r i a a t  n i e t  d i e p  i n g r ij p e n".
  Met grandioze gebaren - hoog-koele beschouwingen, schijnbaar voornaam-wijsgeerig uitstaand bòven het gewoel van het leven - wordt op die manier eene afzichtelijke mate van burgerlijk wanbegrip gelucht, worden stellingen verkondigd die nuchter voortlodderen en modderen op het  o n t a a r d begrip van den kunstenaar. Indien eenig sociaal-demokratisch kunstenaar 'n grein van deze theorie in zich gevoelt als  d e waarheid, kan hij rustig gootenschepper of privaatkrabber worden, zal hij verstandig doen met wederom opgewekt het narrenpak van den burgerlijken kunst-Tyroler aan te trekken. Ik althans kom tegen deze fratsen met mijne geheele overtuiging op. De tijd is voorbij dat wij "geëerd"-geduld wenschten te zijn door de ons direct of indirect dwingende bourgeoisie en wij verlaten de eene klasse niet met een frissche, krachtige levensbeschouwing, om bij de andere klasse, de opkomende, de worstelende, met van-dezelfde-modder-een-kwak te worden bevuild en vernederd. Wanneer wij tot de Sociaal-demokratie komen, hebben wij het eenvoudig recht dat de Sociaal-demokratie ook tot òns kome, ìn ons begroette niet de tijdpasseeringsmenschen van den overkant, maar mènschen van vleesch en been die éindelijk weer rondkijken, wakker zijn, mènschen die met peezige lichaam i n  h e t  l e v e n, helemaal i n  h e t  l e v e n staan, mènschen zonders zwemmends of half-sniks, mènschen zonder mystiekerigheid, zonder ik-adoratie, zonder het warbegrip als zoude een artist een nàdere bloedverwant van onze-lieve-heer-hier-boven zijn, mènschen mèt een zeer levendig, zeer frisch bewustzijn van de mènschen rondom hen. Eene wordende sociaal-demokratie, een proletariaat elk uur afhankelijk van de klasse der kapitalisten, zal noodzakelijk onder sterken invloed staan van de burgerlijke moraal, de burgerlijke zienswijze, den burgerlijken gedachtengang.



[555]

In een land dat zijn "eenzaam" of apart levende, alleen voor en in zichzelf bestaande Willem Kloos-en, Albert Verweij-en, Frederik van Eeden's, Louis Couperus-sen - om eenige typen te noemen - heeft, en oververzadigd is door alle schakeeringen van bourgeois-literatuur, móét het proletariaat tot eene rijpe mate van overdenking zijn gekomen, wil het zijn kunstenaars niet met hetzelfde loenschende oog beschouwen als het die àndere misschien aanziet. Nu drijft eenige verwondering en spot boven dat "letterkundigen" in het openbaar spreken, propaganda maken voor het Socialisme, zich bemoeien met 'n "Hoogerhuis-zaak" - zònder mise-en-scène à la Zola -, dat "letterkundigen" in afdeelingsbesturen zitting nemen, etc. Welnu, er zijn in deze Partij g e e n  "l e t t e r k u n d i g e n". Wij hebben de hekken verbroken, wij zijn zeer gevoelige, zeer naar-weten-begeerige, z e e r  l e v e n d e  p a r t ij g e n o o t e n en in stede u af te vragen: wat doen wij met die letterkundigen die alleen van "kunst" benul hebben, hebt ge tot u zelf te zeggen: wij hebben partijgenooten gewonnen in wien al onze sentimenten van opstand en haat, al onze verlangens en hopen naar een bevrijde menschheid breeder, scherp-belijnder, diep-dooorvoelder aanwezig zijn, partijgenooten wien de gave bedeeld is van hart tot hart, van hoofd tot hoofd met grooter passie of grooter wijsheid te kunnen spreken, zonder daarvoor dankjes of smoezelige complimentjes te verlangen. Gij hebt u te verheffen tot dàt levensplan waarop óns gedachtenbewegen is, het plan dat eene innige uitwisseling van s a m e n g e d e e l d e  sentimenten voor de herleving van kunst zóó natuurlijk noodig heeft, als een plant water of een kind zon en geluk. Als Mehring of andere in dit geval slechte begrijpers van Marx u zeer gewichtig verklaren, dat "die Kunst ihre Wiedergeburt erst von dem ökonomisch-politischem Siege des Proletariats erwarten darf", dan vergeten die wetenschappelijken in de eerste plaats d a t  e e n e  h e l d e r e  m o r e e l e  k l a s s e - b e w u s t w o r d i n g  e e n  o v e r w i n n i n g  i s, duizendmaal, oneindig-maal in staat de schoone uitingen te verwekken die men kunstuitingen pleegt te noemen, dan begaan die uitleggers daarenboven de dwaasheid den groei van nieuw leven te vergelijken met eene bascuul: het overwinnend proletariaat op de schaal en hoep! voor tegenwicht . . . kunst. Zoo inderdaad is die werking niet. Zoo zien wij het leven met zijn geestelijke verschijningen niet balanceeren op het lemmet van een mes. Het wordt komiek als men te veel scharrelt en goochelt met onlichamelijke waarden.1) Tegen de Marxistische materialistische geschiedbeschouwing zal geen waarlijk sociaal-demokraat zich verzetten. Zij is één geworden met zijn geheele denken, met zijn liefde voor de materie (zoo men wil godheid). Maar het wordt bedenkelijk wanneer men forsch, wijgeerige vindingen reduceert tot de gevolgen en oorzaken van de beklantheid eener komenijswinkel en erger dan kinderpraat als



_______
1) Ik veroorloof mij een staaltje uit een blad:
"In het gevolg der stoommachine dringt ook de Westerse literatuur in vertaling Japan binnen. Les Misérables, Wilhelm Meister, Thackeray, Dickens, worden er druk gelezen, Zola, Tolstoï, Ibsen echter zijn nog onvertaald. H e t g e e n  m a g  a a n t o o n e n, d a t  J a p a n  i n d u s t r i e e l  n o g  n i e t  v e r d e r  s t a a t  d a n   h e t  E u r o p a  v a n  e e n  k w a r t  e e u w geleden". Zulk scherp accentueeren acht ik nu onlogisch en het herleiden van een gróóte wet tot een politie-reglement. Hoe komt de schrandere auteur er toe?

[556]

men "wetenschappelijk" wil negeeren de gegroeidheid eener levensbeschouwing, de tot passie en kunst òpdrijvende vlammingen en woelingen vàn die levensbeschouwing, de aandoeningen van een  i n  h e t  l e v e n  staand kunstenaar voor "tijdverdrijf" of "te vroeg geboren" verklaard en de strijders op den weg van de overwinning hautainement tracht te verdwazen met vaag, onzeker geredeneer over de onwaarde van hun pogingen, over de wisselwerking van industrie en kunst, over . . . toekomstkunst. En op dit punt van dezer lieden betoog, plant ik mijne voeten weder stevig in de aarde, houd mij zonder aarzelen aan mijn dróévig-schoonen tijd, aan mijn sociaal-demokratische levensbeschouwing-vanheden en het mij omringend proletariaat, wetend dat de door mij bevochten overwinning - het solidariteitsgevoel met de verdrukten - kunst geven moet waarop anderer kunst zal e v o l u t i o n e e r e n. Ja, ik ben wel zeer gelukkig dit te beseffen, zeer gelukkig in het geloof dat al dit geschrevene èn het later te schrijvene onvergankelijk zal zijn als de materie, schijnbaar stervend, doch in werkelijkheid dienend voor bouw van nieuwe cellen, gelijk andere cellen en andere gedachten vóór mij gediend hebben.

 

  Ik leef in mijn tijd, in dit land, naast Hollandsche proletariërs, ben geen naturalist, geen realist, geen idealist, geen symbolist, haat vrijwel die indeelingen vastgebakken aan het burgerlijk begrijpen van kunst. Ik sta in mijn tijd, laat mij leiden door de bewogenheden der strijdenden, door aandoeningen en gedachten wier wording niet-te-scheiden-één-zijn, van het nieuwe leven dat in mij gedaagd is door het begrijpen der opkomende gemeenschap. Het lijkt mij een nièt-verstaan van dat nieuwe leven als men met geweld kunst wil blijven verdeelen in brokken genaamd naturalisme, realisme, idealisme of symbolisme. Het is alweer de óúde ontaarding die éérst het "woord" losgescheurd heeft van architectuur, schilderkunst, muziek - daardoor de opperste uiting van kunst: h e t  d r a m a  heeft gedood - en vervolgens vakjes geschapen. Indien ik mijzelven zag als een "naturalist", "realist" of zoo iets, zou ik geen pen meer op papier zetten. Indien ik vroeger de wóórden naturalisme en realisme gebruikt heb, geschiedde dat onvoorzichting genoeg zònder ráák-geformuleerde verklaring, maar nóóit met de gedachte aan den burgerlijken zin dier wóórden. Het ongeluk is, dat, willen wij ons verstaanbaar uitdrukken, de titulatuur van anderen de onze moet zijn. In mijn schrijven aan Van Deyssel 1) preciseerde ik eenigszins het onderscheid, wees op de nieuwe levensbeschouwing die zich op "naturalistische" wijze uit, doch vàn het naturalisme absoluut en voor goed gescheiden is door "een gezichtseinder, een bewust doel, en vóór alles een zoo innig sentiment, een zoo onbuigbaar ideaal, dat er geen instorting of stilstand zal kunnen plaatshebben". Het z. g. naturalisme van een sociaal-demokraat, d. w. z., de eenig denkbare en mogelijke literatuur van dit overgangstijdperk, dat klaarheid en  w a a r h e i d noodig heeft, heeft niets gemeen met het burgerlijk (of demokratisch) naturalisme van Zola of van Van Deyssel. Het éérste is het leven van thàns gereflecteerd in zijn smarten en hopen, het  r ij z e n d e leven, het bevuilde leven: máar weer veerkrachtig door een



_______
1) 2de Jaargang no. 2 (op deze website: "Eene Antikritiek", zie aldaar)

[557]

immens-schoonen horizon - het tweede een-al-dood kunst-v e r m a a k. De titulatuur is dezelfde, het  w e z e n vijandig als water en vuur. Met andere woorden, wat nu verkeerdelijk als een "doorlopend" of genuanceerd naturalisme beschouwd wordt, bestaat inderdaad niet. Men koppelt geen kunst gebouwd op burgerlijke en sociaal-demokratische sentimenten aaneen. Er is een grens. En over die grens zijn wij heen. D e  e e r s t e  p r o l e t a r i s c h e  l i t e r a t u u r  i s  g e b o r e n, de eerste zwàkke poging om de proletarische levensbeschouwing in beeldenden vorm te stollen. Niet het onderwerp maakt die literatuur proletarisch, maar het sterk en gevoelig staan in de sentimenten vàn het proletariaat  z o o a l s  d a t  z ij n  k o n  i n d i e n  d e  b o u r g e o i s i e  h e t  n i e t  d e  w e g e n  t o t  o n t w i k k e l i n g  a f s n e e d.
  Wànt als wij spreken van proletarische kunst en proletarische beschaving moeten wij ons wachten - in navolging van Mehring - te denken aan een fantasie-proletariaat, nòch ons voorstellen dat morgen of overmorgen een der werkelijke proletariërs zal opstaan met eene geheel-nieuwe, geheel-frissche kunst. Dié vergissing is aan de orde van de dag. "Wàt hebben proletariërs van vandaag aan dit of dat?" wordt herhaaldelijk gevraagd: "vinden zij in de meest 'vooruitstrevende' literatuur hun gevoelens van opstand, de gevoelens van den klassenstrijd weer?" Of wel vraagt men verwonderd: "Hoe komt het dat de zoo sterk-aaneengesloten Duitsche sociaal-demokraten nog geen artist hebben voortgebracht?" Beide vragen berusten op misvatting. Het proletariaat-van-vandaag zal nergens proletarische kunst produceeren. Het mist de machtsmiddelen om zich ontwikkeling op eenig gebied eigen te maken en als het bij uitzondering tot de bronnen geraakt die wij - in zooverre de evolutie van kunst en weten gevorderd is - kennen, staat het in dezelfde verhouding tot het leven als sociaal-demokraten die in bourgeoisie-kringen geboren naar hen zijn "overgeloopen". Wie dus iets van het tegenwoordig "proletariaat" voor kunst verwacht, smijt zijn anders logischen gedachtengang overboord. Wij, bourgeois-socialisten, moetennoodzakelijkerwijs de voorhoede zijn van eene  p r o l e t a r i s c h e  l i t e r a t u u r die zich door veranderde ekonomische omstandigheden in de toekomst schóóner uiten zal, maar die er op dit ogenblik - in Holland - reeds is. Ze is er - hoe gebrekkig ook - onze proletarische literatuur, ze is er, al wordt zij verward met het burgerlijk, horizon-loos, ideaal-loos ploeter-maar-raak "naturalisme". En het constateeren van deze eenvoudige waarheid, zij een tegenwicht voor de theorie die zich doodstaart op de toekomst en de m o r e e l e  o v e r w i n n i n g van het heden voorbijgaat. In dit opzicht is Holland het ekonomisch-sterke Duitschland minstens een halve eeuw vooruit. Wij kunnen hebben wat ginder in windselen ligt. De burgerlijke kunst in Duitschland heeft nog de sterke anarchistische evolutie te doormaken die onze burgerlijke kunst doormaakt hééft. Eerst dan kan in dàt land sprake zijn  v a n  h e t  b e g i n eener proletarische literatuur. Wat Mehring bekijkt is het zelfs door onze burgerlijke artisten reeds lang verworpen drab.

 

  Ik zou willen eindigen met eene herhaalde waarschuwing om voorloopig in Holland groot-industriëele beschouwingen in verband met Hollandsche kunst achterwege te laten. De weg voor sociaal-demokratische kunstenaren, die zich



[558]

òntwend hebben  b u i t e n het leven te staan, komt mij een zeer heldere voor. Wij moeten er ons tegen verzetten dat de loomheid, de Sauerkrot-achtige logheid van dergelijke Mehringse theorieën, ons het fut beneme  o m  o n s  t e  g e v e n aan die lévende wijze van uiten die den kunstenaar onderscheidt van den niet-kunstenaar - wij mogen niet opgaan in de ééne zijde, d e  v e r s t a n d e l ij k e, der sociaal-demokratische levensbeschouwing - wij dienen met liefde en hartstocht den  n a d r u k van ons leven te leggen op de machtige propaganda van de jong-geboren proletarische litteraire kunst, wier verschijning het schoonst is dat de Beweging in dèzen tijd veroorzaken kon, ongeacht het slagen of nièt slagen.

  Amsterdam, November '98.

_______
Noten van de schrijver

 


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana 13 pts.
 

privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam