HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

Tekstversie
    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact

Navigatie

Verspreide Artikelen I:
Over socialisme en Tendenz

Zoek op de site
De website
Teksten online
Project teksteditie
De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Tooneel en Maatschappij
Eene Antikritiek
Over socialisme en Tendenz
Franz Mehring over kunst
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery
Secundair
Achtergronden
© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam
Socialistische Tendenz | Socialistische propaganda in het drama

Vooraf: Heijermans was bijzonder gevoelig op het punt van "tendenz" in zijn werk; een onderwerp dat al vanaf zijn succes-stuk Ghetto opduikt in de kritieken. Daarover gaat het volgende korte artikel, waarin hij zich scherp afzet tegen alle beschuldigingen als zou hij slechts stropoppen ten behoeve van de leer ten tonele voeren (vooral de NRC-criticus De Meester was hier een meester in, maar ook zijn collega van het Nieuws van den Dag J.H. Rössing).
Daarna volgt een artikel "Socialistische propaganda in het drama", dat hoewel niet van Heijermans zelf, toch verhelderend is voor zijn positie.

Het eerste deel daarvan, een lang betoog van de nu onbekende Emile Goldstein, is niet opgenomen en wordt ook niet wezenlijk gemist, omdat Heijermans er in het vervolg geen woord aan wijdt. Het stuk van Jaurès, waar Heijermans in de aanhef op doelt, is wel van belang: het hieronder opgenomen artikel uit De Jonge Gids blijkt namelijk een integrale vertaling te zijn (zie het origineel). Zie voor een nadere verklaring het commentaar (volgt spoedig).

 

Uit: De Nieuwe Tijd jaargang 9, 1904, p. 374-376

Varia: Socialistische Tendenz

  Over het onderwerp "Kunst en Socialisme" zijn we, vermeen ik, uitgepraat, in de eerste plaats omdat een dagelijksche drang van ernstige omstandigheden onze aandacht tot beter zaken voert -, in de tweede omdat wij het over de grondgedachte principieel eens zijn -, in de derde omdat elk socialistisch kunstenaar van dezen tijd zijn progen als een getast naar het wijkende weet en elke nieuwe mislukking hem klein en futiel gelijkt bij den machtigen stroom die hem duwt en doet buitelen en naar adem happen - en voorwaarts beweegt.
  Evenwel in uren van bezadighdheid, wenschen we wel onder en voor mekaar over fouten en afwijkingen een appeltje op te werpen. In enkele aangelegenheden zijn we het niet eens en zoo heeft de zoogenaamde tendenz al meer woorden gekost dan genoegelijk waren te verteren. Zoo ik mij niet bedrief is men zich in Holland meer bijzonder artistiek ongerust gaan maken over tendenz sinds de bloei van realism en naturalisme en meer in het bijzonder na den overgang van enkelen tot de sociaal-demokratie. En hoewqel het ongenietbaar hapje een weinig doorkauwd is, doen we, meen ik, geen dwaasheid er ook even onze tanden aan te wagen. Want met de gedeeltelijke erkenning der waarheid dat een te domineerende tendenz - ik spreek van den arbeid van kunstenaars, bijgevolg in een zoodanig geval van een tendenz die door de warmbloedigheid en ongematigdheid van den auteur de compositie, den kunstvorm drukt en verminkt - eene uiting ontsiert, zijn we er niet. Evenmin met de beminnelijke en ridderlijke stelling der tegenstanders, dat ze glad maling aan tendenz hebben, dat ze niet naar tendenz vràgen - mits de kunstvorm schoon en het geheel eene wenschelijke ontroering geeft.

  Indien gij het voorrecht hebt artist te zijn - dat wil meer afgebakend zeggen: indien gij u in beeldenden vorm zoodanig kunt uiten dat uwe voorstelling een deel der gemeenschap ontroert en indien gelijktijdig de socialistische levensbeschouwing die in den opbloei van het leven staat, derhalve de eenig-schoone is, de uwe is, dan zult ge in de felle geestelijke bewogenheid der ontwaking menigmaal werk voortbrengen dat u om z'n groenheid en wildheid in latere jaren pijnlijk aandoet, maar ge zult u nimmer schamen over de bekladde socialistische tendenz en evenmin voordeel trekken van de waarschuwende kunst-stemmen der overzijde. Werkelijk overtuigd-socialist hebt gij immers uwe "tendenz" niet kunstmatig aangebracht. Zij is u ontvloeid, omdat ze u ontvloeien móést - zij was slechts het geleidelijk iets van uw dàgelijksch denken en voelen. Wanneer een goede of slechte aanschouwing van het leven, zóó in u geroest is, dat ge slechts op ééne wijze kunt zien en gevoelen, dan kan wel uw heele ik uitstekend of abnormaal zijn, maar uwe uiting is vrij van tendenz, omdat uw tendenz bij de beelding van uw arbeid geheel natuurlijk ontstond en niet bij de wording als een lastig of listig bedacht ding, als storende derde aanwezig was. Onze vrienden van de overzij, die zoo geduldig bereid zijn ons onze fouten te toonen, vergissen zich voortdurend in hun naarstig gepraat over ònze tendenz. Het is alleen de teegenstelling die hen prikkelt. Shakespeare is voor ons het geniaal centrum van den Elisabeth-cyclus. Zijn geweldige tendenz, zijn zwaar-stappende, engiszins ruwe tendenz is ons bij de meeste vertooningen eene ergernis en toch weer géén ergernis, omdat wij elke tendenz naar zijn tijd beoordeelen. Vondel is doorgaands, in zijn wezen gehéél, een eenzijdig voor niets terugdeinzend strekkingsdichter. Ons kan hij geen absolute vreugde meer geven, omdat onze ontroering aan andere schoonheid dan aan woordvorm alleen vastzit. Elk tijdvak had zijn tendenz, zijn saamgeevatheid-van-leven. Wij schetteren niet tegen wie in overtuiging geleeft hééft. Wij zetten ins schrap in den èigen tijd tegen wat dort en het jonge groen poogt te verstikken. Dat is de arbeid van iederen tuinman.

  Waren wij nog aan de overzijde, in het gezelschap van zooveel voortreffelijke artisten als wij daar achtergelaten hebben, artisten die ons verre overtreffen als arbeiders in woord-materiaal, vorm, uitingswijze - dan zou zeer waarschijnlijk de socialistische tendenz ons een onkunstzinnige gruwel zijn. Opgevoed in een andere levensbeschouwing en overal om ons henen die levensbeschouwing als de eenig-bestaanbare aanvaardend, zouden we in de tierigheid en rust van ons leven, het àndere als onkruid vertrappen. Hoe lang was het eerste christengeluid een tendenz? Verdween die tendenz niet in den groei der christengemeenschap? Welk christen of jood stoot zich nù aan eene christelijke tendenz die in wezen en gebaar van een onzegbare grofheid, uiterlijkheid, leugenachtigheid is geworden, getoetst aan de éérste die Jezus aan het kruis bracht?
  In boeken, geschriften, romans, novellen van dezen tijd is de algemeen-toegelaten, algemeen-genormaliseerde tendenz dusdanig vertakt, dat er nauwlijks van te speuren schijnt. Tendenz-loos is géén product, omdat eene kunstuiting zònder tendenz onbestaanbaar is. Wat zich zonder grens of bakening tot ingevreten gevoelens en gedachten aansluit, schijnt uiterlijk vrij van strekking. Een wijs boedhist, een denkend chinees zal aan de beschaafde tendenz-looze tendenz onzer europeesche kunsten zijn neus stooten, Lyriek, epiek, dramatiek nemen de valsche pose aan te groeien uit het onbewuste. Doch dat onbewuste staat met duizende wortelen in de teelaarde eener tendenz, maat als het scheppings-oogenblik houdt met eene aan overlevering gehechte en beklonken werkelijkheid. Arbeidt een kunstenaar die schijnbaar van geen dendenz wéét, zuiverder, vrijer, echter, omdat hij verdronken in de tendenz van zijn tijd geen tendennz meer zièt - arbeidt hij eerlijker dan de kunstenaar die in en door een nieuwe levens-aanschouwinggedrongen wordt een quasi-schelle tendenz aan te brengen? Is er verschil in: "Het socialisme komt, de wolken jublen het" en: "De Heere Jezus komt, de wolken jublen het"? Zeer zeker niet. Alleen op òngelijke hoogte ziet men tendenz. In een kring van gelijk-denkenden bestaat ze niet.

  Wij socialisten moeten ons afzijdig houden van dergelijke benauwenissen. In een katholieke kerk zal men geen socialisme preeken en op het plateau waarop wij ons bevinden, waarop wij de wereld overzien is voor socialistische tendenz geen plaats, omdat wij met dezelfde wetenschap, dezelfde hoop, dezelfde toekomstzekerheid mekaar niet kunnen verschrikken met bekende en lieve geluiden. Het gerucht onzer bezielde hagepreeken wordt de klank voor de komende tijden. Een enkel sterker, onbezonnen, tè daverend geluid kan ons nopen den enkeling in genegenheid in te toomen. Maar zijn tendenz, die de ònze is en over zooveel eeuwen geen afwijking meer zal hebben, ontfutselen we hem niet, omdat die tendenz de prachtige teelaarde is voor onze uitingen uit het onbewuste.

________________

 

Socialistische propaganda in het drama

Uit: De Jonge Gids jaargang 4, p. 601-612

II.

De Worgprent van Albert Hahn: Dr. Kuypers' zorg voor de kleine luiden
De Worgprent van Albert Hahn uit 1903.
In den naam van Christus!
Bron: Wikimedia Commons
  Hebben wij op blz. 268 van dezen Jaargang[1] het woord gegeven aan den heer Em. Goldstein, wiens meening niet de ònze kon zijn, al ware het alleen om het doctrinnaire van een betoog dat te veel schermde met beweringen van dit-moet of dat-zal, aldus veronderstellenderwijze wegen scheppend zònder bakens of wegwijzers te markeeren,


met meerder genoegen lazen wij eenige beschouwingen van Jaurès, naar aanleiding der première Mais quelqu'un trouble la fête van Louis Marsolleau[2]. Het spreekt vanzelf dat 't stuk in quaestie ons voorloopig niet nader intresseert en dat wij den daaraan toegezwaaiden lof hebben te accepteeren als een gelegenheidstoastje. Zoo ook dienen wij in 't oog te houden dat de uitgesproken meening over Ibsen bijv. te zeer aan de oppervlakte blijft. Ibsen k e n n e n  zal Jaurès wel niet. Anders zou hij hem scherper als burgerlijk knutselaar hebben belicht.

  Het tooneel dan [zegt Jaurès], is steeds noodzakelijk in dien zin sociaal, dat het altijd een afspiegeling wordt van eene bepaalde maatschappij. Maar ik dacht vooral, en dat is het onderwerp, waarvoor ik uwe aandacht ga vragen, aan het tooneel beschouwd als middel in den socialen strijd, als middel om de ontbinding eener bestaande maatschappij te verhaasten en de komst van eene nieuwe voor te bereiden. In dien zin is het korte, krachtige tooneelstuk opgevat, dat wij straks zullen zien vertoonen. Er is in neergelegd den bedreiging van den in opstand gekomen verdrukte, die der maatschappij van heden toeroept, dat de dagen van ongerechtigheid ten einde loopen.
  Welnu, wanneer het oogenblik daar is, dat het tooneel met socialistische strekking zich zal hebben gevestigd, wanneer het zich, den machthebbers ten spijt, eene erkende plaats zal hebben veroverd, wanneer niet, zooals thans, slechts sociale allegorieën, doch waar-menschelijke drama's met de leerstellingen der nieuwe maatschappij als basis, ten tooneele worden gebracht, op dàt oogenblik zal de sociale revolutie zoo goed als tot stand zijn gekomen: want het tooneel heeft geen baanbrekende kracht en kan die uiteraard nooit hebben; het verkondigt nieuwe denkbeelden eerst lang nadat zij elders door het geschreven woord verkondigd zijn, en nog slechts dàn wanneer zij door woord, geschrift, roman of wetenschap tot dien graad van maatschappelijke rijpheid zijn gebracht dat zij bij de massa ingang gaan vinden. En waarom is dit zoo? Waarom is het tooneel veel minder voorbeschikt tot het inleiden van nieuwe denkbeelden dan om den voortgang ervan duidelijk aan te toonen, en als het ware hun aanstaande triomf, die elders voorbereid werd, aan te kondigen. Waarom? Wel, eerstens  o m d a t  d e  m a c h t h e b b e r s  v a n  h e t  o o g e n b l i k  v e e l  m e e r  a n g s t  k o e s t e r e n  v o o r  d e  v e r k o n d i g i n g  v a n  n i e u w e  d e n k b e e l d e n  d o o r  h e t  t o o n e e l,  d a n  d o o r  h e t  g e s c h r e v e n  w o o r d1). De nieuwe denkbeelden, de eischen der verdrukte, strijdende klasse op het tooneel gebracht, dat is niet meer de nieuwe idee die in stille afzondering der lectuur spreekt tot elk individu in het bijzonder - het is de proletariër, de verdrukte, de uitgezogene, die in levenden lijve verschijnt om van allen zijne vrijmaking te eischen.
  Dat is het, wat den regeeerders door alle tijden heen schrik heeft aangejaagd en dat is de reden, waarom de nieuwe, de revolutionnaire denkbeelden eerst dan op het tooneel komen, wanneer zij zich reeds eene erkende plaats hebben veroverd in veler gemoed; vandaar dat, wanneer zooals we mogen aannemen, het socialistisch tooneel spoedig vasten voet verkrijgt, dit een heerlijk teeken zal zijn van den voortgang onzer leer; het drama is reeds eenigszins de proloog der revolutie-zelf, omdat het, even als de revolutie, de massa in beweging brengt.
  Wat ik hier zeg, wordt bevestigd door wat men zou kunnen noemen de maatschappelijke geschiedenis van het tooneel. Van de tweede helft der 18de eeuw tot op den dag van heden, kunnen wij uit een maatschappelijk oogpunt drie hoofdmomenten, drie hoofdperioden op het tooneel onderscheiden; te eerste, in de tweede helft der 18de eeuw draagt het bij tot de voorbereiding der Fransche Revolutie en de vestiging van de bourgeoisie-maatschappij; vervolgens, gedurende bijna
________   1) Vergelijk de van burgerlijke zijde vinnig gecritiseerde meening, door mij in De Nieuwe Tijd en in Tooneel en Maatschappij neergeschreven.  H e i j e r m a n s. [accentuering van de tekst is van HH]
de geheele 19de eeuw, uit zich dit tooneel eenigermate als critiek die de Bourgeoisie-maatschappij genoodzaakt is op zichzelf toe te passen, hiertoe gedwongen door het besef der eigen fouten en eigen tegenstrijdigheden - dit vinden wij gedeeltelijk, onvolledig, bij Dumas fils, op een meer onbeschroomde en uitgebreider wijze bij Ibsen - en eindelijk komen wij met Hauptmann's dramatische werken: "Vor Sonnenaufgang" en "Die Weber", met de werken in den geest van dit van Marsolleau en het door de censuur verboden "Germinal" van Zola[3] in de periode, waar niet meer de bourgeoisie zichzelf zwakjes critiseert, maar het proletariaat, de arbeidersklasse, op het tooneel begint te komen.
  Ik heb gezegd, dat in de tweede helft der 18de eeuw het tooneel heeft bijgedragen tot de voorbereiding der bourgeoisie-maatschappij, maar het dient gezegd: op een merkwaardig beschroomde wijze; op dat tijdstip was de beweging op intellectueel en maatschappelijk gebied veel heftiger dan het tooneel. Er ging een krachtige beweging op intellectueel gebied uit van de Encyclopedisten, die door hun critiek langzamerhand alle oude dogma's ondermijnden en de heerschappij van de Rede voorbereidden. Er ontstond eene geweldige maatschappelijke beroering onder de steeds krachtiger wordende burgerklasse van industrie en groothandel, in de groote fabrieks- en havensteden, onder den machtigen burgerstand van Lyon, Nantes, Bordeaux en Parijs.
  Er heerschte ook een ingehouden geest van woede en verzet onder de boeren, die eeuwen lang uitgezogen, eindelijk de mogelijkheid begonnen in te zien, om het feudale juk af te schudden. Welnu, van dit alles vinden wij een weerklank in de dramatische werken van dien tijd, in die van Diderot, Beaumarchais en Schiller, doch slechts een doffe, zwakke weerklank, omdat het gezag de uiting der revolutionnaire gedachte verstikte,  w a n n e e r  d i e  z i c h  o p  h e t  t o o n e e l  w i l d e  o p e n b a r e n. [accentuering HH]
  Men vindt hiervan een doorslaand bewijs in een der meesterwerken van Diderot "Le Père de Famille". Diderot was, zooals ge weet, een der kloekste en tevens meest verlichte geesten van de 18de eeuw, hij voelde dat er in de arbeiders- en boerenwereld der maatschappij in wording tot nog toe ongekende diepten van lijden en ellende waren en hij wilde daarop de aandacht vestigen van zijn tijdgenooten, de aandacht vooral van de grooten en machtigen. Zoo tracht hij in de opdracht van "Le Père de Famille", gericht aan Hare Doorluchtige Hoogheid, de Prinses van Nassau-Saarbrück, deze er toe te brengen, haar kinderen in te prenten, zich van de ellende van het volk met eigen oogen te overtuigen.
  "Ik heb", zeide hij, "een voorliefde voor alles wat nuttig is, en als ik deze voorliefde op hen kan overbrengen, zullen mooie gevels en pleinen minder indruk op hen maken dan een mesthoop waarop zij een paar naakte kinderen zien spelen, terwijl een boerin, op den drempel der hut gezeten, een zuigeling aan de borst houdt, en door de zon gebruinde mannen druk in de weer zijn, om in het gemeenschappelijk onderhoud te voorzien.
  "Zij zullen minder aangenaam aangedaan worden door het gezicht van een zuilengalerij, dan wanneer zij de onder het gewicht der aren buigende halmen in de zon zien glinsteren.
  "Ik wil dat zij ellende van nabij zien, opdat hun medegevoel worde opgewekt en ze door eigen ondervinding zullen weten, dat er om hen heen menschen leven, misschien nuttiger dan zij zelf, die nauwlijks stroo hebben om op te slapen en die honger lijden.
  "Mijn zoon", zal ik hem zeggen, "wilt ge de waarheid kennen, maak u dan los van uwe omgeving, leer door eigen aanschouwing de heerschende verhoudingen in de verschillende vakken en beroepen kennen; ga naar het veld, treed een hut binnnen, ondervraag den bewoner, zie wat zijn rustplaats is, waarmee hij zich voedt, waarmee hij zich kleedt, en ge zult weten wat uwe vleiers u zoeken te verbergen.
  "Houd steeds voor oogen, dat het slechte karakter van één machtige voldoende is, om honderdduizend van zijne medemenschen te doen weenen en jammerend hun bestaan te doen vloeken".
  In deze bewoordingen, droeg de groote Encyclopedist, de groote verbreider der revolutionnaire idée, aan eene vorstin zijn drama op, en met een dergelijke opdracht, zou men verwachten, dat er in het drama zelf voor dien tijd ongehoorde stoutheden zouden geschieden; er komt een boer in voor met gekromden rug, gebogen over zijn stok; nu verwacht men dat hij zich gaat beklagen, dat hij zijn leed zal uitschreeuwen, zijn broodsgebrek, dat armzalig strooleger, dien mesthoop waarop zijn naakte kinderen moeten slapen.... Neen, hij verschijnt slechts een enkel oogenblik, en waarvoor? Om den grondbezitter een hoogere pachtsom te bieden voor een stuk land dan de tegenwoordige pachter er voor opbrengt. En de boer komt niet meer tevoorschijn - Diderot laat hen niets meer zeggen, omdat die wanhoopskreet van het tooneel af een revolutionnaire beroering onder het publiek zou teweeg brengen, die de machthebbers niet zouden toelaten.
En de werken van Beaumarchais, hoe tintelend van geest ook, welk een verschil met de heftige revolutionnaire gisting die er reeds heerschte. O ja, Figaro critiseert de wijze waarop de Regeering haar ambtenaren kiest: "Er was een rekenmeester noodig en een dansmeester werd benoemd". Hij zegt tot den adel: "Gij hebt u de moeite getroost, Monseigneur, geboren te worden". Maar wat beteekenen deze kleine geeselslagen, deze korte vonken, even spoedig gedoofd als ontstoken, tegenover de grootsche sociale beweging die zich reeds openbaarde.
Met recht kunnen we dus aannemen, dat het tooneel slechts op onvolkomen, onvoldoende wijze de uitgebreide sociale beweging kan vertolken eener in staat van overgang verkeerende maatschappij. Wanneer er zich verschijnselen beginnen te vertoonen van een nieuwe dramatiek met socialistische strekking, is dit voor ons dus een reden te meer om te zeggen: de nieuwe leer moet wel tot een hoogen graad van rijpheid zijn gekomen, dat ze zich op het tooneel durft uiten.
  Een der merwaardigste werken van die eerste periode, een van die werken waarin het burgerlijk-sociale vraagstuk op pakkende wijze behandeld wordt, is het beroemde drama van Schiller, in Duitschland voor het eerst in 1782 opgevoerd onder den titel "Die Räuber". Dit is wel de eerste uiting van wat men zou kunnen noemen de burgerlijk-anarchistische gedachte.
  Gij kent den inhoud van het drama van Schiller: Een jonge man uit een burgerfamilie studeert te Leipzig en maakt schulden. Zijn vader zou dit door de vingers hebben gezien, doch schenkt gehoor aan de afgunstige inblazingen van zijn anderen zoon en gaat er eindelijk toe over zijn kind, dat een edelmoedig hart heeft, doch in jeugdige lichtzinnigheid een oogenblik zijn plicht vergat, te vloeken. Hierdoor tot in het diepst van zijn ziel geschokt, begint de jonge man langzamerhand in verzet te komen tegen de geheele maatschappij, en hij verzamelt om zich heen alle ontevredenen, alle verdrukten, alle lijdenden, die hij op zijn weg ontmoet en met deze richt hij een rooversbende op van een zeer eigenaardig, zonderling slag, een rooversbende die recht pleegt, alleen schuldigen treft, den landheer die zijn pachters uitzuigt, den rechtsgeleerde, die door listige streken, hem die het recht aan zijn zijde had zijn zaak doet verliezen. Kortom het is een vereeniging van bandieten uit de burgerklasse, die recht uitoefent tegenover de oude feudale maatschappij in naam van de grondstellingen eener nieuwe rechtspraak. Voorzeker, Schiller wacht er zich wel voor deze poging tot het einde toe goed te keuren, en ten slotte door een reeks van tegenspoeden tot wanhoop gedreven, stelt de jeugdige misdadiger zich in handen van het gerecht. Maar toch blijft het een opmerkelijk teeken van den geheimzinnigen arbeid van den geest in dien tijd, van de revolutionnaire gedachte die aan het ontkiemen was onder de jongere Duitsche burgerklasse, dat deze hoewel onder den vorm van rooverswerk, den nieuwen revolutionnairen drang toejuichen en zelfs bewonderen. Doch, let wel, en dat is het karakteristieke van dien tijd: onder al deze in verzet gekomenen, onder al deze anarchisten van het einde der 18e eeuw, is er niet één proletariër, niet één fabrieksarbeider, niet één mijnwerker uit Saksen, niet één wever uit Silezië, in dien tijd kende alleen de bourgeoisie zich het recht toe tot revolutie, het proletariaat stond beneden het revolutionnaire peil, en het zijn uitsluitend geruïneerde kooplieden, berooide edellieden, tot wanhoop gebrachte winkeliers, jongelieden die hun hersens volgepropt hadden met boeken, doch geen betrekking konden vinden, het zijn alleen de verbitterden, alleen de tot verzet gedrevenen uit de bourgeoisie, welke deze anarchistische vereeniging vormen. Dat is de karakteristiek van het einde der 18de eeuw: de revolutie onder al hare vormen uitgaande van de bourgeoisie; en het tooneel draagt er op zijn manier toe bij, om het overwicht te verzekeren.
  Doch nu zullen wij spoedig de arbeidersklasse zien verschijnen. Evenwel zij verschijnt niet op eens! Gedurende een halve eeuw, zullen wij de heerschappij der bourgeoisie gestadig machtiger zien worden en wanneer zij genoodzaakt is om, zooals ik in het begin gezegd heb, tegenover zichzelf critiek uit te oefenen, wanneer zij zich gedwongen ziet haar eigen fouten en eigen tegenstrijdigheden te erkennen, dan wil ze daarom nog niet toestaan, dat een andere klasse deze verwijten tot haar richt, want de bourgeoisie voelt zich nog altijd machtig genoeg zich zelf te critiseeren en te vonnissen.
  Nemen wij den dramatischen arbeid van Dumas fils, dan zien wij dat die voor één kwart revolutionnair, en voor drie kwart conservatief-burgerlijk is; hij is daarom in den grond conservatief en bourgeois, omdat Dumas fils zich vereenigt met den grondslag van het hedendaagsche gezin, dat gebaseerd is op het individueel recht van overdraagbaar bezit. En al wie zich kan vereenigen met deze wijze van samenstelling van het gezin, dat wil zeggen, berustend niet op een vrijwillige verbintenis tusschen twee personen, die beiden beschikken over een vrijen wil en dezelfde rechten kunnen doen gelden op gelijke ontwikkeling, doch op een eenvoudig contract van bezit waarbij volstrekt geen rekening wordt gehouden met persoonlijke neigingen, - wie dat aanneemt, is, hoe vooruitstrevend hij ook in sommige ondergeschikte punteen schijnen moge - een verdediger van de bourgeoisie.
  Welnu, Dumas tast nooit zulk een gezin aan, omdat hij nooit het privaat-bezit aanvalt dat eraan ten grondslag ligt, maar hij kan niet verbloemen dat dezen samenstelling van het gezin bij de Code Civil geregeld, dat dit individueel bezit zeer dikwijls in botsing komt met de meest natuurlijke en diepst menschelijke gevoelens; hij kan niet ontkennen dat vaak de gevallen vrouw (hoewel zelden volgens hem) den zielenadel heeft behouden, die haar hare plaats in de maatschappij moest doen terugwinnen, wanneer de wreede zedelijkheidsbegrippen van het kapitalisme hiervoor geen onoverkomelijk beletsel waren; hij kan evenmin loochenen, hoeveel onverdiend lijden het natuurlijk kind treft; hij kan niet ontkennen, dat de onverbreekbaarheid van het huwelijk, vóor de invoering der echtscheiding, tallooze malen de zuiverheid en de oprechtheid van het natuurlijk gevoel geweld aandeed. En ziedaar, waarom Dumas pleitte voor de gevallen vrouw, ziedaar, waarom hij pleitte voor de echtscheiding, ziedaar, waarom hij pleitte voor het kind buiten echt geboren; en toch was dit alles geen werkelijk revolutionnairen arbeid, want door het wegnemen der ergste misstanden en het verbeteren der grootste gebfreken van het wettelijk huwelijk, gebaseerd op het individueel bezit, door het dus te hervormen, wilde hij deze instelling in stand houden; en daarom was het in den grond een critiek van conservatieve strekking.
  Uit een moreel oogepunt beschouwd, bestaat er een veel uitgebreider en dieper gaande critiek, gericht tegen alle huichelarij, tegen alle leugens der bourgeoisie, en dat is die van den grooten Noorschen dichterr Ibsen. Gij weet dat Ibsen eerst rijk was, dat hij plotseling zijn vermogen verloor en toen ondervond hoeveel schijnbare liefde en vriendschap alleen door het bezit van rijkdommen opgewekt worden, dat hij vervolgens, toen hij als kunstenaar uiting wilde geven aan zijn in opstand gekomen gemoed, overal het hoofd stootte tegen de onverschilligheid, de vijandschap of de domheid van het meerendeel zijner medeburgers.
  Toen ontwaakte er een sterkere geest van verzet in hem, hij wierp een doordringende blik vol bitterheid op de hem omringende burger-maatschappij, en overal waar hij ze ontdekte, stelde hij leugen en verdrukking aan de kaak. Eerst de vroegere, vrome conservatieve maatschappij der kleine boeren en den kleinen middenstand, vervolgens den leugen van den godsdienst, eindelijk de kapitalisten, die alles wat hen weerstond vernietigden om voor hen voordeelige toestanden in het leven te roepen en door het aanwenden van allerlei list en onrecht den handel, de industrie en het grondbezit geheel in hun handen trachten te concentreeren.
  Naar welke zijde Ibsen ook het oog richtte, naar de vroegere conservatieve maatschappij, of naar de nieuwe kapitalistische, overal vond hij slechts schijnheiligheid en bedrog, overal zag hij alleen waarde gehecht aan al wat, door welk middel ook, tot macht voert, en te midden van die wilde jacht van nietsontziende belangen vond hij den kleinen burgerstand, uit gemakzucht gedwee den ouden sleur volgend, zich bezig houdend met ellendige beuzelingen, blindelings geloovend wat lasteraars of fantasten hem op den mouw spelden, maar niet in staat zelf de waarheid te onderscheiden. En Ibsen riep uit: Overal bedrog, overal schijnheiligheid, overal leugen! Geef het individu zijn vrijheid terug!
  Gij ziet het verschil tusschen de zienswijze van Ibsen en die der revolutionnaire socialisten, zooals Marx die b.v. definieert. Volgens Marx wordt er een strijd gevoerd door de eene klasse tegen de andere klasse, door de klasse der proletariërs tegen de klasse der kapitalisten, der bezitters; alle maatschappelijke leugens en onrechtvaardigheden zullen eerst verdwijnen door de overwinning der proletariërsklasse, welke zelf verdwijnt omdat hare overwinning gelijke vrijheid toekent aan allen, uitgezogenen en uitzuigers.
  In tegenstelling met de Marxistische leer, volgens welke het sociaal drama den strijd der eene klasse tegen de andere klasse moet weergeven, vinden wij bij Ibsen den strijd van het individu dat de waarheid zoekt, haar vindt, en haar de geheele maatschappij van conventie en verdrukking in het aangezicht slingert.
  Hoewel er dus antagonisme schijn te bestaan (en welk een pyramidaal!  H e ij.) tussen de zienswijzen van Ibsen en Marx, reiken naar de opvatting der Duitsche sociaal-democraten (ònwaar!  H e ij.) en ook volgens de onze, beide zienswijzen elkaar de hand, en zijn wij bereid de misstanden der kapitalistische maatschappij aan het daglicht te brengen en te hekelen zoowel met de kracht ons geschonken door de georganiseerde proletariërsklasse als met de kracht der waarheid, die in opstand komt tegen eene maatschappij die alles vervalscht, die overal leugen en dwaling verspreidt, die bedriegt, die allen recht op stemmen toekent door de invoering van algemeen kiesrecht, en dit verkracht door omkooping, misleiding, verdrukking en leugen, die de heilige banden van den echt verheerlijkt en diezelfde banden bezoedelt door ze als een handelszaak te beschouwen, die couranten en geschriften bij stroomen verspreidt, maar die al die stukken papier vergiftigt met de leugens die het kapitaal verkondigt...
  We hebben dus het recht te protesteeren tegen de maatschappij van heden, niet alleen met Marx, uit naam van het lijdend proletariaat, maar bovendien met Ibsen in naam van de waarheid die ligt te zieltogen. (Jaurès geraakt hier aan het bazelen. Gesteld dat wij de "veelgesmade idee" bepleiten, dan zullen we toch waarlijk geen Ibseniaansch gemum als "waarheid" inhalen.  H e ij.)
  Wij kunnen zeggen, dat de werken van Ibsen, hoe revolutionnair zij voor een gedeelte, voor een zeer klein gedeelte ook mogen zijn, geen getrouw beeld geven van de werkelijke sociale beweging. Want, vreemd genoeg, hoewel Ibsen tot den dag van heden geschreven heeft, geeft hij slechts in één van zijne werken blijk, iets van het bestaan van de arbeidersklasse te vermoeden.
  Er komt in een zijner drama's een scheepmaker voor, die door zijn patroon genoodzaakt wordt, op straffe van ontslag, een bedrog te plegen, door een schip, waarvan hij weet, dat de bodem verrot is en niet tijdig genoeg gerepareerd kan worden, toch te laten uitzeilen; deze scheepmaker zegt tot zijn patroon: Jaag me niet weg, waarvan moet mijn gezin leven, als u mij wegjaagt? En ze zullen zeggen, dat het mijn schuld is . . .  Geen oogenblik komt bij dien man de gedachte op, dat hij helpers in den nood of den strijd zou kunnen vinden bij andere werklieden, even als hij geëxploiteerd.
  Ibsen verzwijgt de vorming en den vooruitgang van het georganiseerd proletariaat, dat niet alleen, zooals ik reeds gezegd heb, de revolutie, maar tevens de waarheid zal brengen, en daarom is het bij Ibsen, hoe revolutionnair een gedeelte van zijn werk ook schijnt, nog altijd de bourgeoisie die zichzelf critiseert.
  Maar eindelijk, na lang wachten, heeft het proletariaat, de arbeidersklasse, ook op het tooneel van hare tegenwoordigheid blijk gegeven; zij verschijnt in "Germinal" en in de werken van Hauptmann; het is bijna onnoodig te zeggen, dat er in "Vor Sonnenaufgang" uitsluitend boeren, mijnwerkers uit Silezië voorkomen, terwijl de eigenlijk hoofdpersoon in "Die Weber" gevormd wordt door de geheele massa nameloos lijdende, ondragelijk gekwelde wevers uit Silezië, die eerst in verzet komen wanneer het uiterste leed hen ertoe dwingt.
  Van heden af is de vooruitgang van het socialisme, hoewel laat, ook door het tooneel bevestigd, en dit is een bewijs te meer voor de juistheid van de straks door mij verkondigde stelling, want de arbeidersklasse bestaat als bewuste, erkende klasse reeds minstens eene halve eeuw; zij bestaat minstens sedert de dagen van Juni 1848, op dat tijdstip heeft zij zich volkomen afgescheiden van de andere klassen, en eveneens van de burgerlijke democratie, om eene nieuwe klasse te gaan vormen. Het proletariaat neemt dus reeds minstens eene halve eeuw een eigene plaats in de maatschappij in.
  Eerst enkele jaren komt het proletariaat op het tooneel, en dan nog zeer bescheiden, want de "Wevers" van Hauptmann zijn de wevers van een halve eeuw geleden; hij schildert de groote werkstakingen van 1840 en 1855 in Silezië toen de wevers nog niet dachten aan socialisme en organisatie. Het is slechts het afgebeuld menschelijk dier dat in opstand komt uit instinct, omdat het voelt dat zijn lendenen breken zullen onder den te zwaren last; het is de werktuiglijke instinctmatige opstand van het uitgeput dier, dat zich met een laatste krachtsinspanning opricht.... maar het is nog niet de bewuste, wel overwogen organisatie, bezield door een grootsche gedachte; dit proletariaat verscheen nog niet op het tooneel of liever, ik geloof dat wij dezen avond zijn eerste kreet zullen hooren, een kreet die waarschijnlijk door meerderen zal worden gevolgd... (Een stem: "La Clairière" en "Les Mauvais Bergers?"[5]. Daar kom ik dadelijk aan, ik dank u; het lag in mijn bedoeling er over te spreken, melding te maken van "La Clairière" en van "Les Mauvais Bergers"; u hebt gelijk ze te noemen; ik wilde ze juist aanduiden als een der talrijke symptomen van de nieuwe socialistische richting van het tooneel.
  Maar wij mogen niet uit het oog verliezen, dat zoowel in de "Mauvais Bergers" als in "La Clairière", welke beide werken, ik critiseer niet doch maak alleen een noodzakelijk onderscheid, wat gij zult billijken, welke beide werken eerder van libertaire dan van socialistische strekking zijn, het de arbeider, het individu is, dat opstaat en zijn eischen stelt, maar niet het georganiseerd proletariaat. Dit neemt evenwel niet weg, dat ik het kunstproduct van Descaves - ik herhaal dat ik niet critiseer - zeer verdienstelijk en zeer belangwekkend vind; ik vind het zeer belangrijk, arbeiders en proletariërs op het tooneel te brengen, die zonder de algeheele organisatie van het georganiseerd proletariaat af te wachten, een kleine kolonie trachten te stichten van vrije solidaire menschen; ik vind dat zeer interessant; ik vind dat een symptoom der sociale gisting, die zich op het tooneel begint te uiten; maar ik kan niet zeggen dat het een bevestiging door het tooneel is van het georganiseerd proletariaat als revolutionnaire klasse.
  De werken van Descaves en Mirbeau zijn evenwel niet de eenige symptomen van die soort, er zijn schijnbaar burgerlijke drama's, die tegenwoordig alleen door het feit, dat de atmosfeer verzadigd is van revolutionnair socialisme, misschien tegen den wil van den auteur, eene revolutionnaire strekking verkrijgen.
  Het is een opmerkelijk verschijnsel dat de critiek waaraan de hedendaagsche tooneelschrijvers de kapitalistische maatschappij onderwerpen, veel onbarmhartiger hare leugens aantast dan vroeger het geval was.
  Zoo is b.v. de critiek van Paul Hervieu[6] op de wetten der kerk en van het huwelijk, veel vinniger, veel meer afbrekend, veel meer revolutionnair dan die van Alexandre Dumas, en zoo laat eveneens de eenvoudige, klaarblijkelijk onpartijdige en objectieve studie van de rechterlijke macht, welke Brieux[6] ons laat zien in "La robe rouge" geen stuk heel aan deze instelling. Ik ken de persoonlijke overtuiging van Brieux niet, maar ik zeg, dat hij revolutionnaire arbeid heeft geleverd, doordat de revolutie-zelf, zonder dat hij het wist, op het oogenblik dat hij het ontleedmes in de maatschappij van heden zette, zijn arm voortduwde tot aan het hart.
  Met recht kan ik dus zeggen, dat onder dezen veelvuldig gevariëerden vorm, een werkelijk socialistische hervorming van het tooneel in voorbereiding is, en op deze wijze, door een gelijktijdigen drang van alle zijden, door den vooruitgang van de georganiseerde arbeidersklasse en door de nieuwe richting van het tooneel, zal op den duur alles gaan overhellen naar de nieuwe maatschappij; en dáárin is onze kracht gelegen, dat ondanks de verdeeling der maatschappij in klassen, ons ideaal zóó machtig, zóó waar, zóó schoon is, dat er tegenwoordig niemand, zelfs niet zij die ons meenen te bestrijden, denken kan, zonder eenigszins in onze richting te denken.
  Welnu, laat ons medewerken aan deze groote beweging door te arbeiden, door te denken, door ons te organiseeren, door te streven naar de oplossing van alle problemen van het maatschappelijk en het intellectueel leven. Aanstonds zult gij in het werk, dat hier opgevoerd wordt, de revolutie hooren prediken. En met recht, want de revolutie is een onafwijsbare eisch van het  v o o r u i t g a a n d  menschdom.
  Reclus[7] heeft dit in zijn boek "Evolution et Révolution" bijzonder duidelijk aangetoond. Er zijn in het menschelijk bestaan langdurige perioden geweest, waarin de wereld door slechte bebouwing werkelijk niet genoeg opleverrde voor alle bewoners, toen was berusting in zekeren zin eene physiologische noodzakelijkheid, maar in den tijd waarin wij leven, is berusting bij hen die lijden, een onnoodige voortduring dier vroegere perioden, want de aarde zou allen kunnen voeden, wanneer de maatschappij beter ware ingericht; en morgen aan den dag zouden wonde plekken als werkeloosheid, verdwenen zijn, wanneer de geheele arbeidersklasse zich solidair verklaarde en de verdwijning eischte.

________________

 

Noten 1 De Jonge Gids, vierde jaargang. Emile Goldstein was op de bekende plaatsen (IISH, BWSA) niet terug te vinden. Niet onmogelijk een pseudoniem van Heijermans, al noemt Goedkoop hem niet.
2 Louis Marsolleau (1864-1935), vrijwel vergeten schrijver die een anarchistisch toneelstuk op zijn naam heeft staan dat opzien baarde, hoewel het door de censuur werd verboden: Mais quelqu'un trouble la fête (1900). Jean Jaurès wijdde er een voordracht aan "Le théâtre social - le théâtre comme moyen de lutte sociale" gepubliceerd in het decembernummer van La Revue d'Art dramatique (bron: http://www.jaures.eu, website opgericht n.a.v. 100ste sterfdag van Jaurès, hier overgenomen). Marsolleau schreef later liedjes voor het cabaret "Le Chat Noir" (zie hier)
3 Zola's Germinal (1885) geeft een indringend beeld van de uitbuiting in de mijnindustrie.
4
5 Octave Mirbeau, Lucien Descaves
6 Paul Hervieu, Brieux
7 Élisée Reclus

Naar boven

 


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana.
 

privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam