HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact

Navigatie

Tooneel en Maatschappij
door Herm. Heijermans Jr.

Zoek op de site

De website
Teksten online
Project teksteditie
De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Tooneel en Maatschappij
Eene Antikritiek
Over socialisme en Tendenz
Franz Mehring over kunst
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery
Secundair
Achtergronden
© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam

Uit: De Jonge Gids jaargang 2 (1898-1899), p. 905-948
1) Uiteenzetting gehouden voor de Sociëteit Doctrina te Leiden en voor den "Bond van Nederlandsche Tooneelisten" te Amsterdam op 27 en 29 April 1899.

  Toehoorders,

  Bij de bespreking van een zoo omvangrijk onderwerp voor een grootendeels "onbewust" publiek, zal de waarschuwing wel bijna overbodig zijn, dat de tijd waarover ik te beschikken heb, mij dwingt de stippelmethode te volgen. Zoo gij u veel met de zaken die ik ga inleiden hebt beziggehouden, zullen de stippels u waarschijnlijk een anderen kijk op de verhoudingen geven. Als zulks niet het geval is, hoop ik uwe aandacht te winnen èn u voor onze levensbeschouwing te interesseeren, waarover het op dit ogenblik misvattingen regent. Anecdotarische tooneel-herinneringen hebt gij van mij niet te verwachten. De fout van ongeveer allen die in ons land en daarbuiten over tooneel en vermaak, in verband met het verleden geschreven of gesproken hebben, is onder meer andere déze, dat zij het vroeger leven, in zoover zij het op documenten uitpluizen, als éen groote curiositeit voorstellen. Geb ruiken, voorschriften, zeden - verhaln zij op een toon, documenteeren zij op eene wijze, die den onopmerkzamen toehoorder zeer verklaarbaar doet zeggen: "wel, wel - hoe gràppig ging het toch in die dagen toe!" En dàt, toehoorders, is de grove vergissing van zelfs de beste tooneelhistorici. Het leven was en is geen "humoristisch album". Wanneer Coster, om een paar voorbeelden te geven, na de opvoering van  I p h i g e n i a  (1621) vermaand wordt en belooft: "dat hij hem wilde reguleeren na 't believen van de H. H. Burgemeesteren ende niet en sal spreken yet wat tegenwoordig den Heeren niet en sal believen"- òf wanneer wij lezen van het proces van Helena Snoek wegens "injurie" contra Commissarissen van het Genootschap "Taal, poësy en kunstbeleid, is 't doel van onze werkzaamheid" (1783) 2) "De oude Rotterdamsche Schouwburg" door P. Haverkorn van Rijsewijk blz. 299 e.v. - òf van een Fransche actrice (1545) die zich verbindt te spelen tegen genot van kleeding, voeding, huisvesting, 12 livres per jaar en contractueel belooft cadeautjes te zullen deelen met de vrouw van haar directeur 3) Mevrouw Holtrop van Gelder bijv., citeert deze aardigheid in haar "De vrouw aan het tooneel". - òf van de "waarschouwing" op de biljetten van Erkelens tent te Rotterdam toen Punt er voor het eerst optrad (1773):

Niemand zal in den Schouwburg Flesschen met Wijn of anderen Drank mogen brengen, Tabak rooken, of eenige baldadigheden plegen, hetzij met zingen, schreeuwen, razen, schelden, fluiten of met nootedoppen en eenige andere vuiligheden op den Aanschouwer te werpen, op verbeurte van drie Guldens ten behoeve van den Armen, en daarboven uit den Schouwburg geleid te worden
- dan handelen wij niet alleen voorzichtig maar vóor alle rechtvaardig, wanneer wij den superieuren schertstoon vermijden en ons trachten in te denken in de gevoelens dergenen wien het geschiedde of op wier  z e d e n  zulke ordonnantiën toepasselijk waren. Ik weet wel dat in het algemeen het verwijt de historie te verminken of liever op een onjuist plan te stellen elk historicus treft, dat meer op de uiterlijke - dikwijls toevallige - daden van den enkeling dan op het zich voortdurend, geleidelijk verplaatsend vlak der gemeenschap gelet wordt, dat wij om het korter te zeggten eene materialistische geschied-beschouwing missen, 1) Op de in den lateren tijd verschenen proeven heb ik hier niet de aandacht te vestigen en zijn dezen daarenboven losstaande grepen. maar het uitspinnen dezer bekende bedenkingen, zou mij te ver voeren. Den tooneelhistoricus mag men zijn feilen in een sedert eeuwen verkeerd bekeken wereldhistorie niet te zwaar aanrekenen. Hij is zooals anderen slachtoffer der burgerlijke levensbeschouwing, hij misbruikte zijn materiaal. Na deze inleiding ga ik mijn onderwerp behandelen - nièt anecdotarisch zooals eenig uwer, gewend aan líéve causerieën, mogelijk meenden.

  Willen wij straks ernstig de verschijnselen van ondergang en ontaarding van tooneel en vermaak in aaneengesloten verband met de  m a a t s c h a p p i j  overzien, dan moeten wij het eerst volkòmen met elkander eens worden over eene stelling, die u paradoxaal zal klinken doch geenszins paradox is. Men heeft, zóolang er in ons land over het Tooneel geschreven is, beweerd  d a t  h e t  T o o n e e el  u i t  d e  "K e r k"  g e g r o e i d  i s  - men kan geen boek opslaan, hetzij van Kalff, Haverkorn van Rijsewijk, Ferd. von Hellwald, Moltzer, Wybrands, Gallee, Rössing, Perk, Halmael (om er in het wilde eenige te nomenen en zoo ik géén namen citeerde zou het even goed zijn) of in varianten vinden wij de studie in die richting geleid.
  Het is een zeer begrijpelijke dwaling, eene dwaling die zich baseert op de  u i t e r l i j k e  kenmerken van een tijd en de door cultuurhistorici aangegeven lijnen als onveranderlijke accepteert. Tegenover de eigen of nagepraatte meeningen der tooneelhistorici - de benaming is een weinig grotesk voor het meerendeel der straks genoemden wier journalistiek peuterwerk alleen door het gebrèk aan serieuze onderzoekingen opgelet wordt - tegenover die meeningen, plaats ik de stelling: Het tooneel had nooit en nergens zijn "ontstaan" aan een kerk te danken - het heeft een zelfstandigen groei uit het gemoedsleven der gemeenschappen en alleen in de tijden dat dit gemoedsleven in evenwicht was met de bovenzinnelijke, religieuze motieven vàn een kerk kan men spreken van een schijnbare uitzondering, van een samengaan. Ik zei u zooeven dat het begrip van hetgeen volgt afhankelijk is van het onvoorwaardelijk aannemen van deze opvatting. Daarom moet ik in de eerste plaatse trachten haar op zooveel mogelijk populaire,  e e n v o u d i g e  wijze te verduidelijken. Gelukt mij dit dan kan ik u gtegelijk helder aantoonen wàt de ondergrond was en is van dien "strijd" tusschen kerk en tooneel, die inderdaad een strijd is van geheel andere zaken en gemoedsbewegingen.
  Het bewijs verplicht mij te spreken pver eenige vormen van godsvereering en omdat wij gebeurtenissen beter begrijpen wanneer wij de gegevens bezitten om ze op een afstand te ontleden, zal ik over het verleden enkele luchtige opmerkingen maken. Elke vórm, elk wezen van godsvereering, toehoorders, is afhankelijk van het ontwikkelingspeil eener gemeenschap. Elk begrip van god of van eene godheid wisselt in breede trekken naar de mate waarin de sociale verhoudingen wisselen.
  Wanneer wij hooren getuigen van Ptah en Ra, de goden der oude Egyptenaren (Beneden-Egypte) of van Neith dan kunnen wij thàns wel glimlachen om de aandoeningen der "primitieven", maar het past ons te overwegen dat dee oud-egyptische gemeenschap haar bovenzinnelijke neigingen niet anders te uiten vermocht dan haar nàtùurkènnis gedoogde. En diezelfde overweging behoort ons bezig te houden als wij spreken van Ammon, Almu (Opper-Egypte) òf van de vereering van den ibis, den hond, de kat, de krokodil. Als een kat stierd schoren de bewoners van het huis zich de wenkbrauwen af - de lijken der dieren werden gebalsemd. Werd niet in Memphis de heilige stier ter eere van Ptah onderhouden? Duurde de rouw bij den dood van dit dier geen 70 dagen?
  Toehoorders - het ontwikkelingsproces is wèl bijzonder. Nu aanschouwen wij den kop van een vetten stier met een sinaasappel in z'n bek in de étalagekast van 'n slager als het Paschen is. Ge lacht daarom, maar zoo ge een oud-Egyptenaar geweest waart, zoudt ge nièt gelachen hebben, zoo min als gij thans lacht om gewijkwaardig ceremoniëel in een synagoge of in een kerk. Alles vferplaatst zich, àlles in natuur en maatschappij werkt zich op tot een hóóger plan. In het oude Babylonië bestond dezelfde vereering der natuurverschijnselen. De Babyloniërs kenden Annu, Bel, Hu, Baältis, Nergal. De laatste was krijgsgod, gelijk gij nu voor krijgsgoden de bankiers en Krupp hebt. - Meent gij dat Babyloniërs of Egyptenaren zóó hun godheden begrepen en aanbeden zouden hebben als ze geweten hadden van zonnespectrum, electriciteit of kunstmest? Zouden de Phoeniciërs Baäl, den god der zon en Baältis gediend hebben - en de laatste op de bekende zinnelijke wijze - als in die dagen bekend was geweest dat de zonnebol omringd is door eene atmosfeer waarin ijzer, titanium, magnesium, waterstof enz.
  Zouden zij zoo gruwlijk te werk zijn gegaan in hun Moloch-dienst, die bij elken krijg afschuwelijke menschenoffers vergde om de godheid gùnstig te stemmen, als zij in het bezit waren geweest van kanonnen van 21 cM. of van dynamietbommen? Gij vindt dit mogelijk zonderlinge tegenstellingen en èven zonderling acht gij het dat ik deze dingen te pas breng bij een zo andersoortig onderwerp, doch de draad hervinden wij vanzelf - we scheiden er nog niet uit.
  Hoe was het bij de oude Hebreëen? Oppenbaart hun god zich niet in vurige wolken, donder, bliksem, hongersnood, pest, vruchtbare oogst? Was hij ggeen krijgsgod? Behoorden niet tot de "natuurlijke" goederen, lichamelijke kracht, moed, krijgsroem, vaderland, hoop op buit, overvloed van kinderen, bezit van vrouwen? 1) Verg. het uitnemend werk van Dr. Ernst Sollin. Beiträge zur Israëlitischen und judischen Religionsgeschichte deel II, blz. 21 e.v. Mogen wij zoo onnadenkend zijn aan te nemen dat Mozes' wetgeving of die der 'profeten"  p l o t s e l i n g  iets  o p d r o n g, iets dat niet  r e e d s  g e w o r t e l d  was in het  g e m e e n s c h a p s v e r b a n d, d. w. z. in de (inO. T. omschreven) voortbrengingswijze der Hebreëen van die dagen? Een aandachtige bestudeering van den Pentateuchus zegt ons onverbiddelijk dat de wijze wetgever van het zich vestigend nomadenvolk de geniale begrijper was van die zeden, begrippen, gewoonten  d i e  i n  o v e r e e n s t e m m i n g  w a r e n  m e t  d e n  a a r d,  d e n  o n t w i k k e l i n g s g r a a d  v a n  h e t  v o l k  en Mozes' eigen aanschouwingen van den god harmonieeren geheel met het straks aangeduid wezen dat zich in vurige wolken, donder, bliksem enz. openbaart. Hoe volkomen juist is niet Spinoza's 2) Godgeleerd staatkundig Vertoog V uitlegging van de in het O. T. vervatte plechtigheden: "die 9zegt hij) geen deel uitmaken van de goddelijke wet, niets toebrengen tot het geluk en de deugd, maar alleen het stoffelijk en tijdelijk welzijn en de rust van het rijk beoogen en deswege slechts eenig nut konden hebben zoolang dat rijk bestond". Mozes' wetgeving is - en het is wel curieus het verloop na te gaan - voor het grootste deel een stuk "merkwaardige literatuur" geworden, een veelbeteekenend document, waaruit van het leven der Hebreëen te leeren valt èn van hun godsbegrip. De tegenwoordige Hebreëen moesten afvallig worden. Er is niet één jood meer, die leeft volgens Mozes', d.w.z. volgens de wetten, geboren uit den maatschappelijken toestand van voor zóóveel eeuwen. Aan de orthodoxe òf aan de vrije joden van vandaag kunt ge proefondervindelijk constateeren de  v e r p l a a t s i n g  van begrippen en aandoeningen. Vergelijkt hen met de Hebreëen uit de oude schriften gij hebt een zeeer sterk bewijs van de inwerking der sociale invloeden, van een veranderde en zich veranderende wijze van voortbrenging - vergelijkt Josua op wiens bevel alle mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen, zelfs de beesten na de bestorming van Jericho vermoord werden en den gerokten Max Nordau die in Amsterdam voor een Joodsche bank komt pleiten - als rente-gevende voorbode van den terugkeer naar Jerusalem. Met opzet, toehoorders, heb ik getrouw aan de stippelmethode die ik beloofde te zullen volgen, als voorbeelden Egyptenaren, Babyloniërs, Phoeniciërs, Hebreëen geciteerd, gewezen op het verband tusschen hun godsvereering, godsbegrip èn het z.g. promitieve van hun gemeenschapswezen en ontwikkeling. Die voorbeelden zijn zuiver, omdat zij op zich zelf zijn aangewezen. Ge voelt dat zoodra ik spreek van de oude Grieken en de oude Christenen de zaak eenigszins verandert omdat elk tooneel onder "invloed" gestaan heeft van een dier twee en omdat de materialistische opvatting van Christus gevoeligheden opwekt waarom het mij natuurlijk niet te doen is. Het is evenwel noodzakelijk tot eene principieëele àlle godsdienst-richtingen rakende conclusie te komen. Vooral bij de Grieken heeft men het voorgesteld alsof hun tooneel ùit hun godsdienst groeide. Wélke was deze godsdienst? Wij hebben er in te zoeken - 't spreekt vanzelf - den invloed van andere volken. De natuur- krachten nemen vormen aan, worden gòdheden. De fantasie van het volk denkt zich die godheden als uitbundig begaafde menschen, gelijk zich nù nog de meeste monotheïsten god als een beschaafd man of heer denken. Zoo dadelijk geef ik er u een staaltje van. De godheden der Grieken, onderworpen aan een zelfde Fatum als mènschen, hebben lotgevallen als mènschen, zijn verliefd als mènschen, hebben smarten als mènschen. De Grieksche godenleer stelt ons in staat kennis te nemen van zeden en daaglijksche gebruiken van het  G r i e k s c h e  v o l k  z è l f. En over dit bekend, opmerkelijk doch zéer normaal feit moet ik even uitweiden. Er is geen wezen van godsvereering of het wordt gedomineerd door de bovenzinnelijke gedachte dat de god of de godheid o. m. den voortreffelijken mensch beloont, den boosaard straft. Hoe verder wij de ontwikkeling der godsbegrippen volgen, hoe sterker de waarneming treft dat het bóvenzinnelijk begrip toeneemt, zich van het "heidensche" tot een transscendent wezen "verheft", "loutert" enz. - m. a. w. dat een  a a r d s c h e  voorstelling van den god als iets verderfelijks en zondigs wordt beschouwd. Bewijzen heb ik u zeker niet te leveren. Bij de oude volken toetst het bewustzijn zich frisch aan de natuurverschijnselen. Er is nog geen kerkelijk dogma ("de tempel een schouwtoneel, waar men geen kerkleeraars naar redenaars wilde hooren"1) S p i n o z a . G. S. V. Voorrede gegroeid - of liever dat "dogma" is van een minder gecompliceerd gehalte. Wel is er een zeer "natuurlijk" geloof aan een bovenzinnelijke wereld maar dat bovenzinnelijke is reflex van den onwetendheid van den tijd. Geen kennis van dingen, die niet reëel waar te nemen zijn, is mogelijk. Elke toename van waarneming zal noodzakelijkerwijs de dadelijke mate van bovenzinnelijkheid reduceeren. Omdat dit in strijd lijkt met hetgeen ik zooeven zeide dat de historie ons juist een toename van bovwenzinnelijk geloof leert, wil ik onmiddellijk verklaren dat in deze schijnbare tegenstelling niet alleen de oplossing ligt van de voortdurende worsteling tusschen kerk en tooneel, maar meer in het algemeen van die tusschen kerk, wetenschap en maatschappij. Wanneer het bovenzinnelijk geloof - in de mate als wij het nu nog in zijn omvang leeren kennen - zoo lang geleefd heeft, dan is dat te wijten aan het door economische omstandigheden  n i e t  doordringen van den vooruitgang-van-het-weten tot de massa. Waren alle studiebronnen gemeen goed dan zouden de verlichte denkbeelden àlgemeenèr goed zijn en de  o o g e n b l i k k e l i j k e  macht van het bovenzinnelijke3 herleid tot een algemeen-eerlijke toetsing van het bewustzijn aan àlle verschijnselen. Bij de ouderen  b e s t o n d  die algemeen-eerlijke toetsing, was zij  f r i s c h. Bij ons vermogen uitsluitend nadenkende  m a a t s c h a p p e l i j k - b e v o o r r e c h t e n  haar toe te passen. Ik zou u een voorbeeld geven van een der in dezen tijd bestaande onfrissche godsvoorstellingen. Kent ge de "Bijbelsche Geschiedenis voor de Katholieke Jeugd" zooals zij van kerkelijke goedkeuring2) Nijmegen. L. Malmberg, 1895. voorzien is en zooals zij thans in den handel gebracht wordt? Denken zich de Grieken alle krachten en verschijnselen der natuur als persoonlijke wezens, wat in ieder geval een schoone symboliek is, gelijk de metamorphosen van Ovidius treffend en waarlijk diep-wijsgeerig zijn - de Katholieke kerk voorziet haar bijbelsche geschiedenissen van prentjes en op deze zien wij bijv. den eenigen god afgebeeld als hij in den beginnen hemel en aarde "schept" of wanneer hij op den berg Sinaï de tien geboden dekreteert. Als wij den god zoo voorgesteld zien, toehoorders, in gezelschap van een leeuw, een beer, een hert en van de biddende Adam en Eva òf met de tafelen in de handen die eenigszins op een maximum en minimum thermometer gelijken, dan zijn wij in eerste instantie bereid te spotten. Doch eenig nadenken verklaard de methode. In onze jeugd hebben wij allen, als wij baden - waarschijnlijk heeft men het u ook geleerd - een god voor ons gezien die een màn was (nooit een vrouw), een heer met langen baard en veel hoofdhaar. Wij hadden  b e h o e f t e  aan zulk een reëele voorstelling. En nooit zal er eenig kind geboren worden die den hemelgod, den mystieken bijbelschen god niet  z i e t  als een zeer eerwaardig man of heer. De Katholieke kerk werkt op die kinderfantasie, maar in háar of in 't algemeen in hèt bovenzinnelijk geloof van de tegenwoordige christelijke, Israëlitische of andere kerken past geen  m e n s c h e n b e e l d  "heer van de hemelen", is die methode onfrisch, vuns, vergeleken bij den eenvoud der ouden. Bij déze - ik herhaal het - toetste het bewustzijn zich  e e r l i j k  aan de verschijnselen. Bij hen was er evenwicht tusschen den ontwikkelingsgraad, de werkelijkheid, het bovenzinnelijke. En daardoor mede evenwicht tusschen alle ethische verschijnselen.
  Bij de Grieken werd tooneel en kerk op logische wijze één - de scheiding zou komen, zooals verder in de geschiedenis, zoodra dat evenwicht verbroken werd door eene maatschappij, die haar ontwikkelingsproces onderging maar làngzàmer haar plan van godsbegrip veranderde. Dat laatste is altijd het geval geweest omdat het reëel wezen van een gemeenschap en de eeuwige onverwoestbare wet van  a l l e e n  d i e  d i n g e n  t e  k u n n e n  k e n n e n  d i e  w a a r n e e m b a a r &nbswp;z ij n, met natuurlijke graagte zich aansloten bij reëele gemoedsaandoeningen en het eerste geen kennis, tijd of lust had om lang te peinzen over bovenzinnelijke zaken. De maatgschappij, het tooneel ontwikkelden zich  b e t r e k k e l i j k  gezond en normaal. De gemeenschap groeide, het gemeenschappelijk bewustzijn groeide, kwam telkens in "revolutionnaire botsing" met een metaphysisch idee, dat uit sleur een macht was geworden en een macht blééf omdat de massa, ten allen tijde ondergehouden door een kàste of klàsse, niet meedenken konover de haar voorgehouden dogma's. Bijna de geheele wereldhistorie leert ons dat bevoorrechte ènkelingen zich in "wijsgeerige" onderwerpen verdiepten en opgegroeid van hun jeugd af in het geloof aan een ònveranderlijk bovenzinnelijk wezen - gelijk wij nog daaglijks een eenzijdige "opvoeding" zien geven aan seminaristen enz. - móést hun geloof een geborneerd-dógmatisch worden en hun studie een doodlopen in een zèlfden kring. De gemeenschap vervormde zich alweer betrèkkelijk frisscher. In het dagelijksch leven, bij de zorgen om het bestaan kon zelden eene absoluut-àlgemeene verziekelijking intreden. Nooit heeft een gemeenschap een persoonlijk stelsel geaccepteerd, nooit een cultus aangenomen, of zij was er rijp voor, d. w. z. ddat zij het stelsel of den cultus uit den aard van haar ontwikkeling kon aannemen. Er is eerst sprake van eene  c h r i s t e l i j k e  k u n s t  als er een  c h r i s t e l i j k e  g e m e e n s c h a p  aanwezig is wier gemoedsaandoening volkomen in harmonie is met haar religieuze aandoeningen. Zoo is tháns, toehoorders, de gemeenschap rijpend naar de socialistische levensbeschouwing en zal die op het moment-van-evenwicht  k u n s t - v o o r - e l k e e n  geven. Iedere massa in iederen tijd had meerder zin voor werkelijkheid dan voor bóvenzinnelijks. Hoe rustiger de werkelijkheid in verloop van eeuwen inwerkte, hoe vijandiger het dogma tegenover de "aardsche vergankelijkheden" kwam te staan. Vandaar de reuzenkloof die nu de kerk vàn de maatschappij en vàn een van haar "aardsche" vreugden het tooneel scheidt. Het socialisme dat geheel in de werkelijkheid staat en elke vordering van het weten met groote vreugde begroet, het socialisme dat de nieuwe harmonie vertegenwoordigt van den mensch èn de werkelijkheid, jet socialisme dat de opbloeiing eener onderdrukte klaasse is die opnieuw, maar aaneengesloten-krachtiger haar bewustzijn aan àlle verschijnselen toetst - is zeer zeker de gevaarlijkste, natuurlijkste vijand van de "kerk" omdat zij haar economische macht breekt6 of breken zal en zulks niet het minst door het kerkelijk bovenzinnelijk begrip vernietigend te toetsen aan de verkregen ontwikkeling en ervaring.
  Wanneer wij nu nog een oogenblik tot de Grieken terugkeere, zullen wij op hen het reeds gezegde toepasselijk kunnnen verklaren. Het tooneel en de godendienst der Grieken boeien het volk, vertegenwoordigen het gànsch gemoedsleven van hun gemeenschap, verplaatsen de massa in voortdurende  w e r k e l i j k h e i d.  Neemt welke goden ge wilt, ge vindt hen bezongen als schoongevormde mannen en vrouwen - en tegelijk ziet ge de toenadering tusschen hen en "gewone" stervelingen door halfgoden, heroën, enz. De dienst van Dionysus is een maatschappelijk en religieus feest tegelijk. Denk u den wijnoogst, de druiven weg èn de druiven voor Dionysus worden zuur. Zoo zouden de beruchte Baältis-feesten der Phoeniciërs zonder vrouwen geen feest geweest zijn. De populariteit der Dionysus-feesten en de wijd uitgesponnen gevolgen daarvan, zijn verklaarbaar niet langs religieuzen maar langs maatschappelijken weg. Den oorsprong der koren hebben wij, als wij het verleden van zijn schijn ontdoen, te zoeken in door drank verhitte tezamen ruw zingende lieden. Wij bedriegen ons, wanneer wij ons het landelijk Attisch volk voorstellen als knus-aangekleede figuranten der "Koninklijke Vereeniging", proper en netjes en aan niets anders denkend dan aan de gòdheid. Het tooneel der Grieken, toehoorders, om een bééld te gebruiken, is niet ontstaan uit godsdienstig ceremonieel, maar uit aardsche druiven uit wijn, uit zucht om zich te ontspannen in een wonderschoone natuur. En naarmate dit tooneel zich ontwikkelt - niet omdat Thespis "een stap verder deed" gelijk geschiedvorsers verhalen, noch omdat Aeschylus "de werkelijke stichter der tragedie werd": dergelijke uitleggingen toonen alleen de  o n m a c h t  om een gemeenschap te overzien - naarmate dit tooneel zich ontwikkelt, blijft het náúwverbonden aan de werkelijkheid van die dagen.  O e d i p u s  en  A n t i g o n e  zijn tooneeldichten ontleend aan eene (folkloristische) werkelijkheid, mogen desnoods "historische drama's" genoemd worden, maar dan historische drama's die zoo levendig het Grieksche volk interesseerden, zoo van nabij, als de Elisabeth-cyclus en de koningsdrama's het Engelsch volk ten tijde van Shakespeare. Een historisch drama leeft alleen zoolang de historie leeft. In onzen tijd is geen opstanding van het historische drama denkbaar òf mogelijk, omdat de historie dood is. Alle gehaspel bijv. in ons land met Watergeuzen, Oranjeklanten, Oranje-achtige heldendaden etc. wordt van een onbedaarlijke komiekigheid op de planken. Wij plegen dat te verklaren door te zeggten "dat de geest van den tijd" veranderd is. Inderdaad is die goeie geest zoo vervormd, dat wij  O e d i p u s  en  A n t i g o n e  (ik blijf maar bij die twee) als "fantasie-scheppingen" beschouwen en er genoegen mede nemen wanneer in kranten en tijdschriften de lieden die met "droom" opstaan en met "droom" naar bed gaan de schoone "droomen" van den "dichter Sophocles" aanprijzen en begalmen. Ge leert hier wederom duidelijk uit hoe een stuk historie (De zeven vorsten van Thebe) zoo zijn aspect na eeuwen kan verliezen, dat het wèrkelijke tot fantasie vervaagt. Zoo de Grieken in die tragedies niets dan verdichting hadden gezien, zouden zij er, in aansluiting met hun geheel wezen, nooit dát groote genot in gevonden hebben, gelijk wij er geen onverdeeld genot in vinden wanneer kunst zich bezighoudt met uitsluitend onreëele voorstellingen. Telkens als er in het ontwikkelingsproces der volkeren eene groote stijging plaats heeft en die stijging zich op dramatisch gebied uit, isw er een innige samenweving met de &nvsp;w e r k e l i j k h e i d  van het oogenblik, getuige de Grieken, getuige de bloeiperiode der oud-Christelijke kunst, getuige de Renaissance. En telkens als er verslapping intreedt, manifesteert die verslapping zich op hetzelfde gebied door decadent gedroom, gedroom in het verre (niet meer levend) verleden, gedroom van ènkelingen die in het leven der bestaande gemeenschap geen "stof" meer vinden.
  Ik heb nog een paar woorden te zeggen over christendom en maatschappij vóór ik meer bepaald "actueel" word. Nadrukkelijk herhaal ik, dat de aard van deze voordracht mij dwingt, ernstige onderwerpen op zeer algemeene wijze te behandelen. Een materialistische verklaring van het ontstaan van het christendom zou een zoo uitvoerige toelichting van het verval van het Romeinsche rijk en van het Jodendom noodzakelijk maken, als nu niet in mijn voornemen ligt. Zoo ik mij niet bedrieg, is de jongste studie daaromtrent pás verschenen van de hand van Dr. Ferdinand Goldstein,  U r c h r i s t e n t u m  u n d  S o z i a l d e m o k r a t i e 1) Zürich. 1899. (een betoog tégen het socialisme) en worden ook dáár-in velerlei gegevens verstrekt, om te betoogen dat de komst van Christus een sociale en geen bovennatuurlijke gebeurtenis was. Dr. Goldstein - als vijand van de sociaaldemokratie èn als vijand van èlke kerk - gaat zelfs zoo ver, nà de verrotting van de Romeinsche bourgeoisie aangetoond te hebben, het Nieuwe Testament een "christelijk partij p r o g r a m m a" te noemen. Aan zulke zonderlinge nuchterheden zal ik mij niet schuldig maken. In het kort geformuleerd zie ik het christelijk bewegen in die tijd zóó: Er zijn wetten van Mozes die niet meer, of voor het gemákkelijkst deel worden nageleefd.  Z e  k o n d e n  p r a c t i s c h  n i e t  b l i j v e n  b e s t a a n, daar zij bedoend waren voor een  l a n d b o u w e n d  volk, zooals Mózes het voor zich zag, en geen rekening hielden met handel en verkeer, althans niet in diè mate als zij zich zouden en moesten ontwikkelen. De deuren stonden dus wijd-open voor ontduikingen. Denken wij ons naast die toestand de innerlijke verrotting van het overheerschend Romeinsch rijk, waarover ik geen bijzonderheden heb te geven, de sociale en moreele ontaarding, en het wordt volkomen verklaarbaar, dat het verlangen naar een bovennatuurlijke verlossing, hèt verlangen van den tijd was. 1) Verg. de artikelen van Treslong: Nieuwe Tijd, Januari en Maart 1899.
  Christus "staat op". Wanneer, toehoorders, Carl du Prel in zijn  M y s t i k  d e r  a l t e n  G r i e c h e n  2) Leipzig 1888 , om één willekeurig voorbeeld te noemen, het Orakel van Delphi onder handen neemt, weigert te accepteeren dat een beschaafrd volk drie eeuwen lang door zijn priesters op grove manier bedrogen kon worden en een wetenschappelijke analyse poogt te geven vàn dat orakel, dan wekt dit géén gevoeligheeid. Maar wanneer hij of anderen de wonderen van oude en nieuwe testament langs intellectueelen weg verklaart, dan ontstaat er misbaar, volgt het verwijt, dat anderer "overtuiging" aangetast of beleedigd wordt. Heiligheid en geloof hebben een plan van gelijkdenkenden, gelijkvoelenden noodig. Maar voor een wijs man is en blijft de rede het mes waarop vroeg of laat werkelijkheid en bovenzinnelijkheid gelijkwichtig balanceeren. "De Schrift", zegt Spinoza (G. S. V. Hoofdstuk XV) "leert geen wijsgeerige zaken, maar alleen godsvrucht en alles wat zij inhoudt is  n a a r  d e  b e v a t t i n g  e n  d e  v o o r a f  b e s t a a n d e  m e e n i n g e n  d e r  v o l k s m e n i g t e  i n g e r i c h t. Wie haar dus met de  w ij s b e g e e r t e  wil doen overeenstemmen, zal den profeten zeker vele diingen toedichten  w a a r v a n  z ij  n o o i t  z è l f s  g e d r o o m d  h e b b e n, en hun bedoeling averechts uitleggen; wie daarentegen de rede en de wijsbegeerte aan het gebod der godgeleerdheid onderwerpt ziet zich verplicht,  o u d e  v o l k s v o o r o o r d e e l e n  a l s  g o d d e l ij k e  d i n g e n  a a n  t e  n e m e n  en daarmede zijn geest te belasten en te verduisteren". Een maatstaf voor de bewering dat het christendom een sociaal verschijnsel was, vinden wij in het feit dat onze rede ons verbiedt in dezen tijd aan een nieuwe opstanding van goddelijke profeten te gelooven. Als de molecuul water bestaat uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof, dan nemen wij aan dat dit geen variabel ding, maar een waarneming is voor alle eeuwen geldig. En wanneer na tien eeuwen bewezen wordt dat het geval zich anders gedraagt, dan wordt daardoor onze hypothese geen mystieke zaak, maar een ònjuiste observatie. In een niéuwe goddelijke verschijning op aarde kan thans géén denkend of wetenschappelijk man gelooven. Wij zouden onze rede, ons weten aan dien jeugdigen profeet toetsen en naar alle waarschijnlijkheid zijn doen en laten in een gemengd bericht van een krant, dezes zoo "prozaïschen" tijd vermeld vinden. De groei der tegenwoordige maatschappij sluit het "wonder" buiten. Onze rede en onze ervaring zeggen dat, zeggen tegelijk dat wat nu ondenkbaar is, vróéger ondenkbaar was en dat dat vroegere alleen verklaard kan worden door de oorzaken op te sporen. Die oorzaken gaf ik in groote lijnen aan. Als een tijd de wanhoop van algemeene ontbinding, ontaarding en verrotting kent en die tijd de wetenschappelijke verklaring daarvoor  m i s t, dan zullen de smeekende handen zich uitstrekken naar het bovenzinnelijke. Onze tijd die even sterk de wanhoop, jammer en ellende voelt en ziet, wéét de oorzaken, tast niet in het ijle, wacht geen messias - onze tijd begint bij de aarde zelf - staat bijgevolg lijnrecht tegenover de schoone bedoelingen, de schoone visioenen van Christus, zal daardoor  b e r e i k e n, wat een leer, een geloof zonder meer, nièt bereiken konden. En wanneer ik nu stevig herhaald heb, dat ook de bloeiperiode der christelijke kunst een maatschappelijk evenwicht vertoont tusschen álle gemoedsaandoeningen van zeker tijdperk, dan meen ik niet alleen mijn stelling bewezen te hebben maar ook te mogen recapituleeren - en wel met zéér grooten nadruk - dat de vijandelijke botsingen die zich vroeger en nu tusschen tooneel en kerk, tooneel en machthebbenden, tooneel en maatschappij voordeden en voordoen, terug gebracht moeten worden tot den zeer hevigen en nog in geen eeuwen volstreden strijd van de bovenzinnelijke wijsbegeerte der bezittende klasse van af het vroegst van haar bestaan - èn dee rede, de ervaring, de wetenschap, waarvan thans de sociaal-demokratie de massale voorvechtster is. Dat de strijd zoo lang duren moet, spruit natuurlijk voort uit het gemis aan  m a c h t  der onderdrukte klasse. Ik was verplicht deze zaken te betoogen, het bovenzinnelijk voetstuk onder wat men "kunst" noemt weg te slaan, om zoodoende tot een zuivere verhouding tusschen tooneel en maatschappij, tusschen tooneel en  n i e t s  a n d e r s  te komen. Waar ik met zevenmijlslaarzen over eeuwen en stelsels ben heen gestapt en alle ingrijpen van de kerk, van pastoors of predikanten heb aangeduid als een maatschappelijk machtsmiddel, als de directe of indirecte verdediging van klasse-belangen, want nietwaar de bourgeoisie beroept zich in laatste instantie op het bovenzinnelijke, daar zal ik u niet behoeven bezig te houden met bewijzen uit  o n v e r s c h i l l i g  w e l k e  p e r i o d e  van onze eigen tooneelhistorie. De oogenschijnlijk "geweldigste" gebeurtenis was de opstand der predikanten na het afbranden der Amsterdamschen schouwburg in 1772 en de regen van pamfletten die er het gevolg van was. 1) O.m. "Beslissend antwoord op de gewichtige vraage of er in den Schouwburg, ten aanzien van de Zeeden, eenig, of in 't geheel geen nut te vinden is? Zo neen! waar in de schadelykheid geleegen zy?" Amsterdam [1772].
  Zuivere Balans van het nut en onnut, te vinden in des schouwburgs speelen, Amst. 1772.
  "John Witherspoon. Ernstig onderzoek aangaande den aart en de uitwerkselen der tooneelen. Zijnde ingericht om te toonen, dat het begunstigen en bevorderen van een openbaar tooneel onbestaanbaar is met het charakter van een Christen". Utrecht, 1772.
  'Verhandeling aangaande het nut des Schouburgs, Als mede een plan tot verbetering van deszelfs uiterlijke omstandigheden". [Amst. 1773.]
En na-spartelingen van niet minder gewicht behoeven wij ook nu nog, getuigen den Bosschen burgemeerster die tijdelijk op instantie van zijn geestelijke adviseurs, den commissaris van politie en zijn pastoor, Voerman Henschel verbood. De houding van de Katholieke kerk tegenover het tooneel is - dit wil ik hier even aan vast-knoopen - een zeer leerrijke voor hen die niet tevreden zijn met oppervlakkige inzichten. De mysterie en passie-spelen  v e r p e r s o o n l i j k e n  o. m. Jezus en de heiligen.
  De massa had behoefte aan reëele voorstellingen. Hetzelfde zagen wij bij de Grieken. En thans nu de maatschappij in haar ontwikkeldste centra, de groote steden, geen mysterie en passie-spelen meer verdragen kan, zelve haar vermaken schept - en zijn méér plaatsen van vermaak dan kerken in de steden - thans zou eene  v e r p e r s o o n l i j k i n g  van Jezus heiligschennend genoemd worden, zou men zelfs een "vrijzinnig" pastoor op de planken uitfluiten. Wederom de maatschappelijke verplaatsing van begrippen.

  Die toegezegde "actueele" bespreking verplaatst ons in de tegenwoordige, "kapitalistische maatschappij", dat wil - voor diegenen uwer die het nog niet weten - zeggen: de maatschappij die voortbrengt niet ten behoeve van het verbruik maar om winst te behalen - en in dat laatste haar eenige en grootste vreugde vindt. Het hoofdkenmerk dier maatschappij is bijgevolg dat iedereen, onverschillig op wélk gebied, voortbrengt niet om het genot van het voortbrengen - èlke arbeid is genot - maar om te bestaan. Een smid arbeidt geenszins om het ijzer op schoone, fraaie wijze te bewerken: hij krijgt zóóveel per uur, om zoo machinaal en vlug mogelijk af te leveren. Een meubelmaker denkt er niet aan een kalm-afgewerkt kunstzinnig stuk te bearbeiden: de machines staan in de werkplaatsen gereed; draaien, schaven, zagen zoo machtig, dat de man blij mag zijn het  o n m i s b a r e  handwerk tegen alweder zooveel per uur te verrichten. De vreugde bij den arbeid is herleid tot zorgvol gejakker. Alle handwerk, alle kunstzinnig handwerk is vermoord en de uitzonderingen dienen uitsluitend voor den particulieren,  b e z i t t e n d e n  kooper. De decoratieve schilderkunst bestaan nauwlijks meer. De schilders peuteren ikkerige doekjes waarin en waarop zij hun "ziel" deponeeren - en die ziel berust er dan in, in het salon van den een of anderen rijken Amerikaan of in de smoking-room van een heer-die-aan-kunst doet, te tukken gelijk een weldoorvoed juffershondje. Waartoe zou monumentale kunst dienen? Wij hebben er geen tijd voor. Wij moeten pòtten. Wij moeten ons vermaken. Wij zijn al best tevreden met wat prentjes en de pikante dingen van de mutoscope. Soms slenteren wij een uurtje in een museum, kijken de uitstalling aan, raken ver moeid, geeuwen. En het staat nóóit stil. Op duizenden kunstateliers - zelfs in het ukkepukkig Holland -  z w o e g e n  duizenden schilders, allemaal worstelend met hun ziel èn met verf, allemaal hongerlijdend, ha!, voor de kunst, de groote kunst met een groote K, allemaal het "publiek"  v e r a c h t e n d  en alleenvoor "zichzelf" werkend. Want nà hun dood, na hun dóód! Van de beeldhouwers zijn de Italiaansche venters met afgietsels het meest in trek. Of je een Venus gegoten of gebeiteld, in gips of in marmer bezit - 't blijft een Venus - ze is naakt en heeft stukkende armen. De werkelijke beeldhouwers, de wàre, heusche artisten met lokkige hoofden en een artistieken flambard transpireeren bij leeuwen, puckjes, vechtende negers, lachende vrouwekoppen. Eenige malen per jaar exposeeren zij in een kunstbazaar, lezen kranten-kritiekjes, verkoopen aan kunstkenners die een vrouw met veel geld getrouwd hebben - en wurmebn per slotte om te eten - als zij ook niet het geluk hebben een vrouw met geld te vinden. En het laatste is een van de weinige verheugingen van dezen tijd. De juffrouwen van dezen tijd wìllen wel. Artisten zijn in trek. Natuursteen voor openbare gebouwen wordt een hoogst enkele maal bewerkt - in den laatsten tijd voor levensverzekeringmaatschappijen die een voorliefde voor steenen draken, steenen krokodillen en dergelijke schijnen te hebben. Waartoe zou een waarachtig kunste- naar zijn materiaal, zijn tijd, zijn gaven verspillen aan een monumentaal, voor ieder genietbaar product? Wie zal het hem afkoopen? Welke kàn zijn inspiratie zijn? Generaal Vetter of de president van eene 100% uitkeerende tabaksonderneming? De muziek - moet zij niet om haar kostje te scharrelen rondsukkelen in sukkelende opera-gezelschappen, in den vorm van dàmes-orkesten, in allerlei vormen - en als zi in "begter' conditie geplaatst is, is zij dan niet het uitsluitend vermaak voor dames en heeren die gèld hebben en aan muziek "doen"? De schrijvers? In ons land peuteren er ruim vijf honderd aan roen, eer, eeuwig bestaan. Schrijven is een lief soort piano-rammelen geworden. Om de tien huizen een piano én een auteur. Ze malen weer geen van allen om het "publiek". Ze werken voor zichzelf, altijd voor  z i c h z e l f. Die met talent hebben te schrijven, zooals dde bezittende,  b e t a l e n d e  klasse dat belieft. Het volk koopt niet. Alleen de machthebbenden schrijven voor, heerschen. Wie niet schrijft zooals het behoort, wordt verbannen of heel stiekem onder gelakt couvert uitgeleend. En wil hij van "zijn pen leven", gelijk de bekende term luidt, dan heeft hij op gezette tijden stevig te liegen, dan moet hij de narrekap opzetten, pootjes geven, dan ondergaat hij de meest perverse geestelijke slavernij. hem wordt niet de keus gelaten zich te uiten zooals hij wil, in aansluiting met de nieuwe levensbeschouwing - hij heeft te werken, grimassen te maken, te bedriegen om te èten. Zijn vreugdevolste arbeid - zijn  e e n i g  e e r l ij k e  arbeid wordt hem niet betaald en voor de ploerige rest staan uitgevers en sjaggeraars in literatuur tot koop gereed. Laat ik intusschen onmiddellijk hieraan toevoegen - en 't is miscchien noodig, omdat ik bezig ben u allergeweldigst te ontroeren - dat er in Holland geen zès auteurs zijn, die van deze dingen benul hebben. Alle anderen spelen wel anarchistje, doen zich artistiek voor, donderen als tijdschrift-tyrannetjes, maar van hun nutteloosheid in eene arbeidende gemeenschap gevoelen zij niets. Zij denken aan hún leedjes, hún verdrietjes, hún vreugdetjes, hún liefdetjes - van een monumentaal gemeenschapsbegrip snappen zij tittel noch jota. Eens in de maand wat verzen en proza, eens in de maand wat kritiek, een zorgeloos bestaan - mijn liefje, wat wilt ge nog meer? Daarvoor ben je artist. Een artist, een student en een tooneelspeler mogen een potje breken. Die vertegenwoordigen de  v r ij h e i d  in de kapitalistische maatschappij - want zèlfs een kapitalist heeft z'n fatsoen te bewaren.
  Wanneer ik het handwerk, de schilderkunst, de beeldhouwkunst - van architectuur zal ik maar liefst helemáál nit spreken: haar eind-eeuwsch sterfbed vindt ge in de Nieuwe Pijp - de kunst van schrijven, de muziek vooropgtesteld heb, geschiedde dit in het gronddenkbeeld dat tooneel - het wèrkelijk tooneel - complex van al deze kunsten is en waar ik u steeds de stippel-methode volbgend - aantoonde dater van al die kunsten niets dan een kommercieel of ikkerig (buiten de gemeenschap staand) skelet is overgebleven en dat dit niet anders kon, omdat een kommerciëele maatschappij niets anders dan  l o o n d i e n s t e n  en overdreven individualisme baren kan, zal uw logica u zeggen dat het tooneel de gelijke mate van ontaarding vertoonen moet, als de zuster-kunsten die haar onontbeerlijk bestanddeel zijn. In een kommercieele maatschappij kunt ge niets anders verwachten dan een kommercieel tooneel. De schouwburg wordt zo rendabel mogelijk gebouwd, leelijk maar met véél plaatsen, beneden plaatsen met fluweelen zittingen, boven banken. Men zorgt voor branduitgangen, brandladders en plaatst voor versieringen gipsen, vergulde ornamentjes. De schoonste schouwburgen zijn Nieuwe-Pijpsch. De kunstproducten der bourgeoisie verloochenen zich nooit - kommercieel vóor alles. De stukadoor en de verder hebben den schilder vervangen - in plaats van tòt het drama behoorende muziek: muzikanten die Cavaleria en Behut dich Gott spelen - in plaats van levende tooneelstukken huil- of lachv e r m a a k, in plaats van vrije tooneelkunstenaars marionetten die te spelen, te lachen, te smarten hebben zooals de betalende gemeenschap dat rechtens haar entrée en hare levensbeschouwing te eischen heeft. En de oorzaak van dat alles, toehoorders, ik herhaal het tot vervelens toe, is de kommercieele maatschappij, de kapitalistische, die alles koopt, alles koopen kàn: vrouwen, overtuiging, menschenlevens, kunst. Kunst in deze dagen is een klein, levenloos gewurm, een gewurm niet voor eene gezonde, krachtige, blijmoedige, geloovende gemeenschap, maar de amuseerende loondienst voor een  k l a s s e, voor de klasse van de bezitters, van de machthebbers. En waar het evenwicht tusschen het verlangen naar kunstaandoeeningen het verlangen naar iets bovenzinnelijks sinds lang, sinds eeuwen verbroken is - ik heb dat zooeven vrij uitvoerig uiteengezet - waar het tooneel niets meer representeert dan het propaganda-middel voor eene kommercieele maatschappij, gelijk het leger die maatschap bewaakt, de wetten haar beschermen, de machtsinvloeden van kerk en zedeleer haar steunen - waar kortom het tooneel,  z o n d e r  e e n i g e  s c h u l d  v a n  t o o n e e l s p e l e r s  o f  t h e a t e r o n d e r n e m e r s, een fabriek van klassepleizier is geworden, slechts in nuance verschillend van café-chantant, circus, ballet - daar treft wel allerzonderlingst de gestadige vergissing van heeren tooneelphilosophen, die diè fabriek "opvoedende kracht" en "invloed" op den tijd willen toekennen. Het tooneel weergalmt slechts wat de bourgeoisie toestaat te "weergalmen". Van die tooneelphilosophie wil ik u eenige kenschetsende voorbeelden geven, ofschoon het nauwlijks noodig is, daar gij allen wel weet, dat het kenmerk van een goed theatercriticus in het algemeen gevonden moet worden in zijn publieken zin voor deugdzaamheid, eerbaarheid, fatsoen, waarvoor trouwens de krantenabonnées hun abonnement betalen. Anders kun je een krant niet aan je vrouw, je kinderen en je dienstmaagd-beneden-de-jaren laten lezen. Uit eenige brochures en boekjes stip ik dit aan. In 1873 schreef de heer A.C. Loffelt, "lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde" - het stáát op den omslag - een brocure1) "Ons Tooneel en het Ned. Tooneelverbond". Utrecht 1873. Zelfs in dèze dagen schijnen sommigen nog invloed aan dat krengige, paskwillige "verbond" toe te kennen. en zegt daarin:

  Doch zal ook de invloed, dien het tooneel in de groote steden op de beschaving en de denkbeelden van het volk kan uitoefenen, luttel zijn, omdat de bewoners van het platteland niet naar den schouwburg kunnen gaan? Waar is de verblindheid of de ruwheid van het volk 't gevaarlijkst? Waar kan het 't beste geleid, voor de geheele natie - ook voor de bewoners van het platteland - heilzame beginselen ingeprent worden?

Wordt spoedig vervolgd

Naar boven


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in HTML 4.01 en Verdana.
privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam