HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact

Navigatie

Herm. Heijermans jr.
"Eene Antikritiek"

Zoek op de site
De website
Teksten online
Project teksteditie
De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Tooneel en Maatschappij
Eene Antikritiek
Over socialisme en Tendenz
Franz Mehring over kunst
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery
Secundair
Achtergronden
© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam
Uit: De Jonge Gids jg. 2, 1898-1899, p. 50-52 en 200-208
Deel II | Terug naar "Opstellen over toneel"


Toelichting

In 1898 raakte Heijermans verzeild in een korte polemiek met Lodewijk van Deijssel, naar aanleiding van diens (overigens lovende) kritiek op Diamantstad waarvan juist een fragment was verschenen. Heijermans bevond zich hierdoor in een positie tegen de bourgeois-kunst, maar vóór de naturalistische roman, waarvan hij een bewonderaar bleef - zie zijn Aanteekeningen over Tooneel deel I, "Het verband met de literatuur" uit 1904.

Eene Antikritiek


    A a n  d e n  H e e r  L.  v a n  D e ij s s e l.


      WelEdgeb. Heer

  In de voorlaatste aflevering van het "Tweemaandelijksch Tijdschrift", is U zoo vriendelijk op meer dan welwillende wijze te spreken over den roman  D i a m a n t s t a d, dien ik in De Jonge Gids begonnen ben. Het was mijne bedoeling U naar aanleiding van door U gebezigde uitdrukkingen eenige vragen te stellen. Bezigheden hebben dat tot heden belet en er was geen buitengewone spoed bij. U schrijft:

  "Het feit dat dit (de gepubliceerde hoofdstukken van den roman) uitmuntende literatuur is, zoû het zeer onaangenaam doen vinden als het gevaar voor ondergang van een inderdaad groot talent bleef voortduren door veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie" . . .

  Veroorloof mij op te merken dat het qualificeeren van de beschrijving der toestanden, der  w e r k e l ij k e  t o e s t a n d e n  in een stadsdeel van Amsterdam - van toestanden zoo gruwelijk en schandelijk dat zij alle daden van wanhoop zouden rechtvaardigen - tot "uitmuntende literatuur" een lof is die mij pijnlijk heeft aangedaan. Het zoo formuleerend, doet U wel zeer scherp uitkomen het verschil dat er in onze aandoeningen bestaat. Ik vermeende te schrijven een deel van het ellende-epos - gij kijkt over die ellende heen, vermeidt U in de "uitmuntende literatuur" op die gruwel-toestanden geinspireerd.
  Ik herhaal: die woorden hebben mij gehinderd en eende gedeeltelijke ontnuchtering gegeven. Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand tegen verdrukking te zijn, om - zoo de uiting door wat met een "kunstenaar" noemt, plaats heeft - als  l i t e r a t u u r  te worden verstikt. Aan dat noodlot heeft U mij welwillend herinnerd.
  Gij zegt dat gij het zeer onaangenaam zoudt vinden als voor den auteur in quaestie "het gevaar voor ondergang door veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie bleef voortduren", nadat gij even te voren volkomen terecht opmerkt dat hij tot in 1896 niets van waarde gepubliceerd heeft.
  De door U besproken auteur breekt in Augustus 1896 met zijn gezien, goed betaald baantje in dienst der zich vermakende bourgeoisie. Van af dien datum tracht hij voor degeen die het noodig hebben in de allereerste plaats, voor zichzelf in de laatste iets te zijn. Gij let nu wel op dat hij na 1896 "literatuur" geeft, begrijpt evenwel niet de oorzaak.
  Waarom zoekt gij niet de schuld van dat tot 1896 impotent zijn bij de omstandigheden?
  Waarom niet ruiterlijk gezegd: "Ziet hier dan weder een auteur die vrij gekomen van de alles vermuffende, ideaal-looze, hart-looze, exploiteerende bourgeoisie, de bourgeoisie vermoordster van alle kunst, ook van haar eigene - geraken kon tot de ontwikkeling van wat in hem goeds was".
  Ziet gij niet het sterke contrast tusschen den bourgeois-auteur, om het loon gekneveld door bourgeois tot midden 1896 - en den wakker geworden sociaal-demokraat bezield door een groot ideaal, niet meer hechtend aan eenigelei reputatie?
  Waarom in uwe vage termen gesproken?
  Waarom gaat gij, die beter kondt weten bij scherper nadenken, voort met beschouwingen die niet het individu in quaestie raken, maar alleen en uitsluitend het economisch verband, alleen en uitsluitend het kapitalistisch stelsel van alle productie (in ons geval de litteraire) ondergeschikt maakt aan eene heerschende door hare levensbeschouwing on-kunstzinnige klasse.

  Onmiddellijk na uwe meening dat  D i a m a n t s t a d  "uitmundende literatuur" is, vervolgt gij met de reeds genoemde bedenking dat de auteur ook nu nog kans heeft onder te gaan door "veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie". Ik ben dit inderdaad gedeeltelijk met U eens, gedeeltelijk in zooverre aan te nemen is, dat een auteur door groote productie moet of kan ondergaan. Maar alweder heb ik analoge overwegingen.
  Wànneer een schrijver ondergaat door "veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie"1) Wat bedoelt gij daarmede? - aan wien de schuld?
  Beseft gij niet na uwe langdurige ervarring met uitgevers dat hier weder de  o m s t a n d i g h e d e n  het absoluut verderflijke van een loontarief, het worstelen van één individu alleen om zich staande te houden,  d e  o o r z a k e n  zijn?
  Gij en ik "leven van onze pen". Welke us uwe belooning? Wèlke de mijne? Kent gij - alleen voor u ziende de opbrengsten uwer "pennevruchten" - één enkel oogenblik van zorgeloos, frisch leven, gij door de bourgeoisie gekend - gekocht?
  Welke waren Uwe ondervindingen met Een Liefde en De Kleine Republiek? Gij zult daarvoor de "uitgevers" aansprakelijk gesteld hebben, maar zijn deze niet in hhet "literatuurvak" onze loonheeren, de eenvoudige vertakkingen van het kapitalistisch stelsel, dat de "consumtie" van boeken beperkt tot een kleinen kring van zedeleer en begrippenmaniakken?
  Zou het dus, al deze dingen in bedenking nemend, niet beter geweest zijn, rechtvaardiger, wijzer, om te getuigen: "Ziet hier een auteur ddie na zich in 1896 van de bourgeoisie losgemaakt te hebben, slaagt - echter voortdurend kans heeft opnieuw door haar onder te gaan, gelijk zij zoovele auteurs vermoordde, vermoorden zal. En daarom mijne vrienden, raad ik alle intellectueele arbeiders, zich aan te sluiten bij de Arbeiders-partij, daar gij alleen-staand niets vermoogt en uwe kracht, mate en wijze van voortbrenging in de eerste plaats afhankelijk is van uw materieëlen welstand".
  Ik leg er de nadruk op dat er voor mij andere, meerdere, dringender redenen zijn om met hart en ziel te blijven medewerken met de Arbeiders-partij. Daarover moge polemiek achterwege blijven. Mijne vragen beoogen Uw antwoord op zuiver maatschappelijke zaken en met zeer groote belangstelling zie ik daarop uwe rescriptie tegemoet.
  Want gij, Van Deijssel, kunt een grootere, belangrijker taak in Holland vervullen dan gij tot heden in werkelijkheid vervuld hebt, door U bij ons aan te sluiten, met ons te propageeren, door mede te arbeiden aan dien glorieuzen arbeid voor de geheele menschheid, door bewust te worden van Uwe en anderer ondergeschiktheid aan den kolossus van enkel garstig, zwabberend vet, dien wij Bourgeoisie noemen.
  Zeer flauw koester ik de hoop dat mijne vragen U tot een antwoord van toenadering zullen brengen, gelukkig voor U, gelukkig voor ons - tenzij gij de logica der feiten verwerpt.

        Met de meeste achting
  Amsterdam, 23 Mei 1898,         HERM. HEIJERMANS Jr.

 

 

  

Andwoord aan den Heer H. HEIJERMANS Jr.


Waarde Collega!

  Gij zegt dat  D i a m a n t s t a d  een roman is. Nu, als het een roman is, dan is het ook literatuur. En als ik literatuur beoordeel, zeg ik er van, dat het waardeloze of dat het uitmuntende literatuur is. Lijkt u dat verkeerd?
  Indien uw doel met schrijven is, medelijden met ongelukkige menschen op te wekken of het verlangen te doen ontstaan naar verandering van maatschappelijke toestanden, geloof ik, dat gij een niet-doeltreffend middel hebt gekozen.
  Een courantenbericht over een ongelukkig achter gebleven gezin op een visscherseiland wekt medelijden op. Een nuchtere of ook een op zekere wijze welsprekend-gevoelvolle beschrijving van mijnwerkers- of fabrieksarbeiders-leven kan het verlangen naar verbetering van maatschappelijke toestanden doen ontstaan of versterken; ik ontken beslist dat geschriften, die het karakter van D i a m a n t s t a d  hebben, op dit gevoel werken.
  Naar mijne meening, doen zij dat evenmin als eene schilderij van Jozef Israëls of een treurspel van Ra[c]ine dat doet.
  De vraag naar de verwantschap in de verhouding tusschen de gewaarwordingen, die deze kunst verschaft, èn die van medelijden en verlangen naar maatschappelijke verbetering, ben ik thands niet in de gelegenheid te behandelen.
  Ik heb op dit oogenblik geen andere gevoelens aangaande dit onderwerp te geven dan die reeds in sommige mijner geschriften zijn uitgesproken.
  De minder vroolijke lotgevallen mijner romans wijt ik niet aan algemeene maatschappelijke toestanden, daar aan dergelijke boeken in andere landen, waar de zelfde toestanden bestaan, een geheel ander lot beschoren is geweest.

Met kameraadschappelijken groet
            L.  V A N  D E IJ S S E L.

 

 

 

 

 

Eene Antikritiek.
II.


    A n t w o o r d  a a n  d e n  H e e r  L.  v a n  D e ij s s e l.


      WelEdgeb. Heer,

  Waar ik U in mijn vorig schrijven antwoord op eenige vragen verzocht, daar bestond vóor alles de doorzichtlijke bedoeling U opnieuw over  S o c i a l i s m e  te doen spreken, thans evenwel niet om als resultante een derde, vermeerderde editie Uwer filosofische en artistieke zienswijze uit te lokken, maar om Uwe redeneering te aanhooren gebaseerd op de nuchtere feiten die ik verstrekte. Immers, dacht ik, de heer Van Deijssel is een sympathiek man, een eerlijk man, en, wat bijna meer waarde heeft, een man van onhollandsch passioneel temperament. En die man beschikt over eene mate van invloed, dien ik hem inderdaad benijd, omdat zóo mijn invloedssfeer ook maar een deel van de zijne was, ik daarvan met al de kracht van mijn leven gebruik zoude maken voor het welzijn der Arbeiderspartij, waartoe ik het geluk heb te behooren. Spreek tot dien sympathieke, dien eerlijke, dien warm-van-harte, zeide ik tot mij-zelf: hij heeft iets over je geschreven en dat is onjuist, of liever hij staat op een niet te verdedigen standpunt van kritiek. En wanneer je hem nu de klaarheid der feiten, de wezenlijkheid der dingen voorhoudt, dan zal hij, niet weifelend, niet schipperend, niet klein-van-uitvlucht je opmerkingen maar eerlijk sprekend, met kijking van kalme in kalme oogen, je toegeven dat zijne kritiek de fout had afzijdig van de innerlijke omstandigheden te staan, dat zij leed aan de vele euvelen van kritiek die economische grondslagen verwaarloost, dat er in het algemeen, over welke zaken ook, geen andere kritiek te zeggen valt dat de kritiek welke baseert op àlle levensverhoudingen. Langs dezen indirecten weg, meende ik, zul je Van Deijssel en dòor hem, mogelijk, weer andere er toe brengen het oude, gedeeltlijk vergane gondeltje te verlaten, om mede de riemen te hanteeren in de krachttige praam van onzen arbeid die allengs groeit tot een slagschip, zoo onverwoestbaar als nimmer bestond. En ver-beeld U het schoone geval - in een klein land als het onze niet zo ganschlijk ondenkbaar - dat àl-kunstenaars, àl-sterksten in ontwikkeling, gevoels-, gedachteleven, het minachtend verdraaiden, het uit-den-ard van hun nieuw bewustzijn en hunne nieuwe sentimenten  n i e t  m e e r  t e  v o l b r e n g e n  w i s t e n  amusements-dienaren te zijn dezer bourgeoisie die haar kunstnaars, haart tobbende kunstnaars behandelt zoo als zij àlle voortbrengers behandelt, die in zake-van-kunst Hofjes-van-liefdadigheid sticht, fooien uitdeelt, beschermheertje speelt - in ruil evenwel (dons gratuits zònder nevenbedoeling, ach wel!) voor de niet te versmaden renommée van "zooveel aan kunst te doen", of toegelaten te worden tot den meer intiemen kring eens kunstnaars en dan verder hun beschermeling in snobisme verstikken, gelijk de beruchte Koning-der-snobs Multatuli gestikt is. Ver-beeldt U, o ver-beeldt u den droom van eene Arbeidbeweging reeds zóó begrepen - alle nièt medegaan met de Sociaal-Demokratie berust op niet weten, niet begrijpen - dat het dàn beste der bourgeoisie, schouder aan schouder, rede naast rede, spier tegen spier, steunde, meê-propageerde de Arbeidspartij, haar klassestrijd, haar idealen. Gelijken ons, sociaal-demokraten, thans reeds de vreugden, het leven aan de overzijde verzengd als de wit-grijze vlakten eener woestijn, stinkend als stilstaande sloot bij naadring van onweer, jammerlijk van aspect als de verkoolde nog zwak onderling stuttende ruïnes van huis waarin brand al het leven-bijzettende heeft verwoest, leelijk als eene straat van cementen, baksteenen koopjeshuizen, eene straat zonder groen, zonder hemel, zonder horizon, zonder iets anders dan kleine, zure, benauwde burgermanszorg -, gelijken ons thans reeds de overzij-genietingen klagelijk-vervelend, de overzij-godsdiensten onwaardig, de overzij-geestdriften kippetjespoep, de overzij-smarten (òneer, verlies-van-bezitting enz.) levend-mensch-zijn bespottend, de overzij-kunsten bedrog (immers niet beinspireerd op een gróót Ideaal), de overzij wetenschap nutloos voor de gansche Gemeenschap. En hoeveel grooter zou dit sentiment in ons komen te staan wanneer nog die bourgeoisie hare kunstenaars geheel zou moeten missen, zoo het verlepte op één grooten hoop bleef en het levende, het sap-rijke, het jeugd-krachtige, het bloesemdragende te weer liep, allen één, onverwinlijk door den granieten onderbouw eener nieuw-economische wetenschap, allen zeker van de toekomst, omdat die toekomst door de bemachtiging der productiemiddelen ten algemeen welzijn, nieuw leven, andere levensvisie, andere groote in-de-maatschap-wortelende kunst zal brengen.

  Evenwel dit is droom en ik had mij voorgesteld koel, feit na feit ontledend, met u te redeneeren. En zoo meen ik nu in dit wederantwoord wel te doen u op den voet te volgen, wat gij mij wel gemakkelijk maakt door uw repliek zóó volkomen sober te geven,  d a t  g ij  z e l f s  v e r z u i m t  m ij n e  v r a g e n  lt e  b e a n t w o o r d e n. Destijds polemiseerend met Van der Goes, hebt gij verklaard dat de beste polemiek-methode dié is, "welke het gevoelen dees tegenstanders in zijn geheel aanvat, opdat dus de twee gevoelens met elkaar in kontakt zouden komen." Deze methode past gij echter niet toe in het onderhavig geval. Gihj beantwoordt zaken, wier beantwoording ik u niet vroeg, althans niet vooropstelde, terwijl gij het "Antwoord op zuiver maatschappelijke zaken (blz. 52, 3e alinea) schuldig blijft.  E n  j u i s t  d a t  had  i k  n o o d i g. Want het overige brengt ons op een vrij wel onvruchtbaar terrein, òf op een terrein rijk aan meerder spitsvondige dan terzake-nuttige argumenten. Ik volg u evenwel. Gij schrijft:

"Indien uw doel met schrijven is, medelijden met ongelukkige menschen op te wekken of het verlangen te doen ontstaan naar verandering van maatschappelijke toestanden, geloof ik, dat gij een niet-doeltreffend middel hebt gekozen.
  Een courantenbericht over een ongelukkig achter gebleven gezin op een visscherseiland wekt medelijden op. Een nuchtere of ook een op zekere wijze welsprekend-gevoelvolle beschrijving van mijnwerkers- of fabrieksarbeiders-leven kan het verlangen naar verbetering van maatschappelijke toestanden doen ontstaan of versterken; ik ontken beslist dat geschriften, die het karakter van D i a m a n t s t a d  hebben, op dit gevoel werken.
  Naar mijne meening, doen zij dat evenmin als eene schilderij van Jozef Israëls of een treurspel van Ra[c]ine dat doet.
  De vraag naar de verwantschap in de verhouding tusschen de gewaarwordingen, die deze kunst verschaft, èn die van medelijden en verlangen naar maatschappelijke verbetering, ben ik thands niet in de gelegenheid te behandelen."

  Neen, het is niet mijn doel "medelijden met ongelukkige menschen op te wekken". Medelijden van dien aard zal elk denkend sociaal-demokraat met innige verbetenheid verwerpen. Wij vragen geen aalmoezen, geen toegeworpen beurs, geen zoet-wauwelend medelijden van de tegenpartij. Wij vinden het (burgerlijk) medelijden, dat zich in zoogenaamde goedertierenheid, barmhartigheid, bewogenheid, milddadigheid en een reeks meer dezer aandoeningen uit die wij voor ons opdrijven - zooals de nadering van een bijandelijk leger wordt aangekondigd door gedrang van benarde vluchtelingen - wij vinden dat "medelijden met ongelukkige menschen", hetwelk nu eeuw3en lang als iets voornaam-christelijks heeft gegolden en menig ploertig individu eene voortreffelijke reputatie bezorgd, zóó geweldig uit den booze, dat geen onzer er aan denken zal op dat "medelijden" te spekuleeren, veel minder het "op te wekken". Laat mij u een voorbeeld geven1) Ik herinner mij de antwoorden van Van der Goes in 1891 niet meer, weet dus niet of hij analoge bewijzen gaf. . In uw opstel  G e d a c h t e,  K u n s t,  S o c i a l i s m e (1890) schrijft gij:

"Liefdadigheid is in zekerend zin tegengesteld aan socialisme, want de in purpere zijde gekleede edelman, die zijn goed-beurs aan een troep bedelaars toewerpt, vermeerdert daardoor nog het aspekt en het wezen van zijn hooge en ongemeenzame rijkheid en gelukkigheid, terwijl de vermeerdering van het geluk der misdeelden exceptioneel en accidenteel is, in plaats van konstant, reglementair en principiëel. De liefdadigheid vind ik dus iets uitmuntends". 2) P r o z a s t u k k e n, blz. 52
Aan of in uwen "in purpere zijde gekleede edelman - zij  z ij n  er niet meer, maar wij willen ons een oogenblik zulk een bijzonder wezen  f a n t a s e e r e n - ontdekken wij nu niets schoons, niets dat eenige goede aandoening verwekt, niets dat prijzenswaard voorkomt. Vermeent gij nu inderdaad dat een auteur, een die diep het klassebewustzijn gevoelt, een die met een onuitroeibare minachting de bourgeoisie overkijkt, te schrijven bedoelt voor ùwe in purpere zijde gekleede edellieden, hun medelijden, d.w.z. hun  l i e f d a d i g h e i d  zal trachten te beflikflooien? Wanneer ik een deel van het groote Ellende-epos tracht in ònmachtig beeld te zetten, dan heb ik daarmede nòch de bedoeling medelijden op te wekken van lieden van wie wij geen medelijden vragen, lieden waarbuiten wij het volkomen kunnen stellen, nòch den wil bij die lieden "het verlangen te doen ontstaan naar verandering van maatschappelijke toestanden." In het algemeen heb ik bij het schrijven geen "bedoelingen", maar laat mij leiden door het klasse-bewustzijn en in zooverre dat tendentieus is, onderwerp ik mij  o n b e w u s t. Het komt mij voor, dat elk waarachtig geloof op deze wijze terugwerken zal, terugwerken moet. En wel zeer curieus, bijna zeer bijzonder opmerkelijk, noem ik uwe verklaring dat een arbeid van dien aard u geen "medelijden" geeft - gij zeidet er immers alleen "litteratuur" in te ontdekken -, hetgeen u wèl overkomt bij het lezen van "een courantenbericht over een ongelukkig achter gebleven gezin op een visscherseiland, een nuchtere of welsprekend-gevoelvolle beschrijving van mijnwerkers- of fabrieksarbeiders-leven". Welnu, als ik zulk een aandoenlijk courantenbericht of zulk eene ijselijkgevoelvolle beschrijving lees, dan zeg ik tot mijzelve - dagelijks doet zich de stof voor - : Kijk nou 's hoe die krant weer "menschlievend" is, wat 'n lief bericht voor betalende abonnés en wat verneukt die redacteur z'n lezende leugenaars. Want zóó is 't natuurlek niet gebeurd. En zóó is die beschrijving pasklaar gemaakt van geen aanstoot te geven. En wat is die boel rot, die boel van onderling konkelende schrijvende of lezende bourgeois die mekaars medelijden opwekken, meelijdend die vreeselek-treurige dingen besnotteren, meelijdend d'r bol schudden, meelijdend 'n postwisseltje inzenden aan de 'treurig achtergebleven weduw met acht kinderen", meelijdend nakletsen over eene ontzettende mijnramp, meelijdend het arbeidend proletariaat laten verrekken, om morgen en overmorgen en nog vele jaren meelijdend te zijn, tot zij mèt hun medelijden opgedoekt worden. Ik herhaal uwe verklaring curieus te vinden, acht mij gelukkig dat een stuk  w e r k e l ij k  "Ellende-Epos" niet het sóórt medelijden verwekt dat ieder ònzer verafschuwt, wel bij nadenkende partijgenooten het  s c h ó ó n e  m e d e - l ij d en,  d a t  m e d e l e v e n,  m e d e - g e v o e l e n, &nnbsp;m e d e - i n - v e r z e t - k o m e n,  m e d e  s t e r k e r - b e w u s t - w o r d en  beteekent. En of er in beschrijvingen als in het bedoelde werk propagandistische kracht is, wie zal het beoordeelen? Gij noch ik. De aandoening, die men bij dèrgelijke lektuur ondergaat, is van zuiver subjektieven aard. Ik beweer dat Dostojewsky geweldig van invloed geweest is, dat, om een populair voorbeeld te noemen, Uncle Tom's Cabin zeer veel heeft bereikt. Gij leest als litterator, als verfijnd vakman, gij zijt door uwe verfijning van eene zo groote wreedheid geworden, dat ik u eenigermate vergelijken moet bij den artist, die wanneer zijne vrouw sterft hare doodsangsten observeert om ze later in een stuk "litteratuur" op aandoenlijke wijze weer te geven. Ik vraag u na dit voorbeeld om verschooning als ik u gekwetst heb, maar alle uwe uitlatingen wijzen erop dat gij, gij als mensch sympathiek, eerlijk -, als litterator een geraffineerd wellusteling en wreedaard zijt. Ik zou u zoo nièt zien, zóó ik u - nadat gij ernstig uw tijd overkeken hadt - voor mij zag als man, die met dreigende vuisten tegenover de ongerechtigheden zijner voormalige klassegenooten stelling nam.
  Uwe ongelooflijke nalatigheid is deze, dat gij uwen tijd niet ernstig overkeken hebt -, bijgevolg toestanden en gevolgen beoordeelt zonder gerechtigd te zijn er uwe meening over te zeggen. Gij schrijft toch onmiddellijk na het boven meegedeeld citaat:
  "De zaak is, dat gij, behalve uw uitmuntende kunst, nu uw sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt en dat ik dien niet heb.
  Ik heb op dit oogenblik geen andere gevoelens aangaande dit onderwerp te geven dan die reeds in sommige mijner geschriften zijn uitgesproken".
  Wat verstaat gij onder "sociaal-demokratische kijk?"
  Ik zeide het straks reeds, dat het een grove vergissing is te veronderstellen, dat waar het klassebewustzijn, de sociaal-demokratische overtuiging een zoo integreerend levensdeel geworden is, zóó een met àlle voelen, zien, waarnemen, ontleden, het àndere integreerend levensdeel daarnaast zoude staan. Dit is eene vergissing, zoo zonderling, dat ik haar bijna niet verklaren kan. Ik verbeeld mij, dat gij u het socialistisch sentiment voorstelt als een ding gelijkstaand met de groteske gevoelens van een liberaal, een radicaal, een katholiek, een anti-revolutionnair - in verkiezingsdagen. En 't spreekt wel van zelf, dat nòch radicalisme, nòch liberalisme, nòch katholicisme (in politieke beteekenis) éénige stuwkracht bezitten kunnen. Gij, niets afwetend van de Sociaal-demokratie diet meer dan naïef diezelfde redeneering toe te passen op het Socialisme, door als zooveel anderen te denken dat een "sociaal" eene ongeveere nuance is van een dier andere burgerlijke verkiezinges-titulaturen. Juist omdat gij door een in U te misprijzen laissez-aller het Socialisme niet de moeite waard vondt om er degelijke werken op na te slaan en het méér dan genoeg achtte o.m. Uwe "intuïtie" in deze als wetenschappelijke basis te erkennen 1) "En voords zal ik u vooral gaarne hooren verklaren, waarom mijn intuïtie mij niet een even groot recht van spreeken zou geven als de mogelijk meerdere wetenschap en overweging van anderen hun geeft"- P r o z a s t u k k e n blz. 51., zijt gij buiten den wijsgeerigen grondslag dezer reusachtige beweging gebleven en nog steeds in den waan dat een kunstnaar er een sociaal-demokratisch "aanhangsel" voor koffiehuisgesprekken en stembus-gelegenheden op na kan houden, zooals hij voor de gezelligheid of "uit overtuiging" liberaal of christelijk-historisch zijn kan. Maar hebt gij dan zelfs niet  g e v o e l d, gij schuimend-in-hartstocht in uw jongre jaren, dat waar over de geheele wereld duizenden, millioenen individuën deze liefste hunner overtuigingen tot met den dood zouden willen beklinken, dat waar er geen land is zonder martelaren van de daad of van de idee, dat waar de bèste idealisten van een volk alleen onder socialisten te vinden zijn, dat dáár een kracht, een drift, een passie in die opwaking, in die overtuiging lag, die zich vroeg of laat in kunstuitingen moest openbaren? En gegeven die opwaking, dat bezielend, levensideaal-verwekkend sentiment in een bepaald individu, hoe wilt gij zijne kunst van zijne beste levenssappen scheiden?
  Er is meer.
  Ik beweer, dat gij den "Dood van het Naturalisme"(1891), gevolgd door uwe "Levensleer"(1895) 1) "Indien dus gevraagd wordt welke, na den voorbijgang der naturalistische, de overtuiging thands is, luidt het andwoord: geene".  T o t  e e n  L e v e n s l e e r. Verz. Opst. blz. 325. nooit zoudt geschreven hebben, dat de Cyclus Rougon-Macquart nooit zoude mislukt zijn, als het leidennd sentiment bij U en Zola het sociaal-demokratische ware geweest. En ik vraag uwe aandacht voor dit beweren met alle bescheidenheid, daar er de stelling van zooeven in omgekeerden zin uit te bepleiten valt.
  Veroorloof mij het 't eerst over Zola te hebben. De Cyclus der Rougon-Macquart is een reuzenarbeid op valsche basis wat het wetenschappelijke aangaat en ongeveer hetzelfde wat betreft de bezielende impulsie, die den cyclus in zijn gehéél tot kunstwerk kon opvoeren. Behoeft het eerste nadere aanduiding? Is er iets respectabels, iets van langer dan mode-duur blijven staan van dien fameuzen "stamboom", van die populaire "herediteit", van die "voorbeschiktheid" van het individu? Kon Zola eene menschheid-omvattenden cyclus scheppen  m e t  e e n  w e t e n s c h a p p e l ij k e n  o n d e r g r o n d  waar de geweldige evolutie Darwin-Marx hem onbekend was en alleen een stuk Lombrosiaansch onderzoek zijne burgerlijke verbeelding hanteerde? Zie we niet in Zola en Ibsen hetzelfd verschijnsel, dezelfde misvatting: wetenschappelijk te willen voortbouwen op één schakel van de Reeks, zonder kennis van de beginschakels, zonder welbegrepen doel? Dat heeft dan het curieuze tengevolge, dat de wetenschappelijke hypothese uit zijn wetenschappelijk, maar vooral uit zijn sociologisch verband gerukt, dat de hypothese een stokpaardje wordt tot de verdere ontwikkeling der theorie (zooals bij Lombroso bijv. plaats heeft) vooral door sociaal-wetenschappelijke onderzoekingen, het fraaie gebouwtje van den romanticus in puin werpt. Bij opmerktzame lezing van Le Docteur Pascal bijv. waarin heel Zola's wetenschap gelucht wordt, kan men zonder veel moeite constateeren, dat die "Histoire naturelle et sociale d'un famille sous le second empire" op aarzelingen berust, dt het scchip met zooveel kracht van wal gestooten aan het willoos laveeren ging tot het het voorland der Moderne Sociologie aan den horizon ontdekte en al-zinkend de have poogde te bereiken. Ik bedoel hiermede diè pogingen in Pascal's schema om eenige "erfelijk-belasten", eenige "types criminels"(erfelijke moordzucht, drankzucht enz.)  t e  v e r b e t e r e n  d o o r  h e n  o f   h a a r  n a a r  e e n  b e t e r  m i l i e u  t e  v e r p l a a t s e n) m. a. w. de pogingen om door betere 'omstandigheden" het individu aan de erfelijke belasting geheel of gedeeltelijk te ontrukken. Hier dus de inwerking der Moderne Sociologie, maar eene ònbegrepen inwerking zich openbarend in anarchistisch streven het zelfd systeem der kommunistische koloniën die te gronde moeten gaan door het verbroken of ontkend verband met de tegenwoordige maatschappij èn de reeds bereikte economische ontwikkeling. Hadde werkelijk de Rougon-Macquart eene in dezen tijd wortelende wetenschapsbasis gehad, dan zou de cyclus het  h o o g s t e vertegenwoordigd hebben bereikbaar in de naturalistische kunst en hadde het lapmiddel "Les trois villes" achterwege kunnen blijven. Want Realisme en Naturalisme zullen op letterkundig terrein worden, wat de sociaal-demokratie o.m. op maatschappelijk is: de groei der moderne wetenschap. Maar er is een even groote, misschien zwaarwegender reden wáárom Zola's arbeid geen artistiek geheel kon zijn, waarom gij uwe "Overtuiging" (zie  L e v e n s l e e r) verloren hebt, waarom alle Realisme en Naturalisme  z o n d e r sociaal-demokratische impulsie sterven moeten. En die is: Er is geen vrijwillige levensarbeid denkbaar zonder de groote, kalme vreugde van een Ideaal. Ik kan mij niet voorstellen welke vreugde in het algemeen die van de schrijvers dezes tijds is, veel minder hoe men een  o v e r t u i g i n g - u i t - e e n - s t u k  voor zijn gansche leven bewaren kan, wanneer die niet tot één onwrikbaar geloof is gegroeid. Zola had geen ideaal, geen horizon. Als burgerlijk wereldverbeteraar dobberend in zijn Lombroso-hulkje, kritiseerde hij voor de vuist weg, alles in het negatieve, zonder te weten wàt de apotheose van zijn arbeid zijn zou, zonder de oorzaken te kennen van de dingen wier afzichtelijkheid hij beschreef. En er op losslaand, alle maatschappelijke kringen "beschrijvend", over de hele wereld en nog wat mijmerend, ontging hem de groei eener nieuwe generatie, tot hij wakker-wordend struikelde over de eigen broekspijpen, zijne zekerheid verloor en u en zooveel anderen mismoedig deed roepen: het is met Zola gedaan, het Naturalisme is dood. Maar het naturalisme was niet dood: het schonk aan eenige burgerlijke kunstenaars de schoonheid van zijn levend beginsel, het Naturalisme mèt het Realisme, de enige dàdelijke kunstvormen voor dit overgangstijdperk, zullen eerst tot volrijpheid geraken door eene sociaal demokratische overtuiging. Want ook dàn eerst  z a l  beider  kritiek  een Gezichtseinder hebben, een bewust doel, en vóór alles een zoo innig sentiment, een zoo onbuigbaar ideaal,  d a t  e r  g e e n  i n s t o r t i n g  o f  s t i l s t a n d  z a l  k u n n e n  p l a a t s h e b b e n.
  Tenzij ik mij dus zeer vergis, meen ik in het bovenstaande te hebben aangetoond dat uw gezegde: "de zaak is, dat gij, behalve uw kunst, uw sociaal-demokratische kijk op de dingen hebt" niet alleen volkomen onjuist is, maar dat daarenboven geen  w a a r l ij k e  realistische of naturalistische kunst denkbaar is zonder het sterkmakend Ideaal der sociaal-demokratie, zonder den sociaal-demokratischen "kijk", die, permitteer mij het sektarisch geloof, de eenig zuivere is èn de vertrouwbare waarschuwer om te beletten dat men zich overgeeft aan het burgerlijk-artistiek genot om van "mooie"ellende Literatuur te maken.

  "Ik heb op dit oogenblik geen andere gevoelens aangaande dit onderwerp te geven dat die reeds in sommige mijner geschriften zijn uitgesproken", verklaart gij voorts. Eene dergelijke "consequentie" moge in principieele gevallen uiterst lofwaardig zijn - in het onderhavige getuigt zij van eene zelfgenoegzaamheid, die pijnlijk aandoet. Hoe, gij, Van Deijssel, durft u beroepen op geschriften van zeven, acht jaar geleden! Hebt gij dan niets van dezen levenden tijd geleerd, niets er van bijgehouden? Welke zou Uwe verbazing zijn zoo men thans een diergelijk antwoord ontving van de heeren Ten Brink of Van Hall over de Nieuwe Gids-beweging van '80 - eene beweging, die, met het Socialisme vergeleken, zoo onbeduidend is als een bibberend juffersschoothondje naast een getergden leeuw. Vindt gij er dan eene verdienste in niet rond te kijken? En naar wàt verwijst gij? In 1891 beweert gij o.m. in uw opstel  G e d a c h t e,  k u n s t,  s o c i a l i s m e: "Socialisme is anti-literair en literatuur is anto-socialistisch" (blz. 45). - "Het heele Socialisme is leelijk, omdat het is ingegeven door een laag Begrip en eene vulgaire menschenliefde" (blz. 45) -  O f  m ij n  g i s s i n g  m i s  i s . . . d a t  s o c i a l i s m e  e e n  d o k t r i n a i r,  o p  b e g i n s e l e n  e n  d o g m a t a   b e r u s t e n d,  s t e l s e l  v a n  m a a t s c h a p p ij - i n r i c h t i n g  i s "... (blz. 45) - "Want - d a t  h e b  i k  d i k w ij l s  g e h o o r d ... enz."(blz. 46) - . . . . "dat men de historische en geleidelijke ontwikkeling der samenleving niet door het imponeeren van een doktrinair stelsel bruskeeren moet". . . (blz. 49) - "De socialisten hebben met geen kunst en gedachte, schoonheid en verfijning te maken"(blz. 54) - "Waarom wilt gij de proletariërs die de meerderheid zijn, laten beslissen over wat er met hen zelf en met de bourgeoisie, die de minderheid is, gebeuren zal"(blz. 55) - "Het socialisme (het Algemeen kiesrechts) staat hier tegenover en beweegt zich in de richting van den dood" (blz. 283) - Het Socialisme is het universeel gereglementeerde en goevernementeele (blz. 287) - "Wat is socialistische menschenliefde? Iets onzuivers, iets onlogiesch gevoeld". (blz. 302) - "Het ware goed te verklaren b.v.: met bourgeois bedoel ik de menschen die vijf duizend gulden of meer inkomen hebben en met prletariërs de menschen die minder dan vijf duizend inkomen hebben". (blz. 306). in deze kleine, slordig-verzamelde bloemlezing (het kan niet moeilijk zijn haar te vertiendubbelen) toont u in de jaren 1891, 1892 niets van het Socialisme, niets van den klassestrijd, niet van wat er de consequenties van zijn te begrijpen. Gij vraagt of "uwe gissing mis is", spreekt van wat gij "dikwijls gehoord hebt" en waar gij nièt gist, nièt naar-hooren-zeggen redeneert komt gij met voorbeelden zoo ontzaggelijk naïef, getuigenis afleggend van eene zo volslagen onwetendheid op dit gebied, dat men ze niet anders dan met glimlach lezen kan. Ik dacht: Van Deijssel zal nu toch wel anders denken - het is niet mogelijk dat hij zich beroepen zal op het holle der vroegere argumenten tegen het Socialisme - hij is acht jaar wijzer geworden - hij spreekt zelfs van een "sociaal-demokratische kijk op de dingen",  m o e t  d u s  n u  o n g e v e e r  w e t e n  w a t  h ij  d a a r  o n d e r  v e r s t a a t (nadat hij vroeger het Socialisme leelijk gevonden heeft, ingegeven door een "laag begrip" en eene "vulgaire menschenliefde", nadat hij verklaarde dat Socialisten nòch met kunst, nòch met gedachte, nòch met schoonheid en verfijning te maken hadden", nadat hij Socialistische menschenliefde "onzuiver" en "onlogisch" vond, enz.) Ik bedroog mij. Met een zelfgenoegzaam gebaar, waarvan gij de beteekenis overschat, wijst gij in 1898 naar uwe meening over het Socialisme in 1891 en 1892, eene meening die waardeloos is, omdat bij het leveren van kritiek op een zoo grootsche zaak als die van de Sociaal-demokratie verwacht mag worden  d a t  d e  k r i t i c u s  h e t  o b j e c t  z ij n e r  k r i t i e k  k e n t.

 

 Ik ben langer aan het woord geweest dan ik het oorspronkelijk bedoelde, moest mij vergenoegen uit te weiden over het weinige dat gij - ofschoon ik daarover geen vragen stelde - beantwoord hebt. Bij eene zakelijke Polemiek is het evenwel onafwijsbaar, dat speciaal op positieve vragen een repliek gegeven wordt. En daarom, schoon ik den schijn op mij laad het spreekwoord "A bon entendeur demi mot suffit" niet te begrijpen, kom ik alsnog uwe welwillendheid inroepen voor de kort-en-bondige beantwoording  d e r  n i e t  d o o r   u  b e a n t w o o r d e  v r a g e n, der vragen die u rustig geescamotteerd heeft:
  1e. Waarom niet ruiterlijk gezegd: "Ziet hier dan weder een auteur die vrijgekomen van de alles vermuffende, ideaal-looze, hart-looze, exploiteerende bourgeoisie, de bourgeoisie vermoordster van alle kunst, ookk van haar eigene, geraken kon tot de ontwikkeling van wat in hem goeds was?
  2e. Waarom gaat gij, die beter kondt weten bij scherper nadenken, voort met beschouwingen die niet het individu in quaestie raken, maar alleen en uitsluitend het economisch verband, alleen en uitsluitend het kapitalistisch stelsel dat alle (in ons geval de literaire) ondergeschikt maakt aan eene heerschende door hare levensbeschouwing on-kunst-zinnige klasse?
  3e. Wanneer een schrijver ondergaat door "veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie"- aan wien de schuld?
  4e. Wat verstaat gij onder "minder goede letterkundige situatie"?
5e. Beseft gij niet, na uwe langdurige ervaring met uitgevers, dat hier weder de  o m s t a n d i g h e d e n, het absoluut verderflijke van een loontarief, het worstelen van één individu alléén, om zich staande te houden, de  o o r z a k e n  zijn?
  6e. Gij en ik "leven van onze pen". Welke is uwe belooning? Welke de mijne? Kent gij - alleen voor u ziende de opbrengsten uwer "pennevruchten" - één enkel oogenblik van zorgeloos, frisch leven, gij door de bourgeoisie erkend - gekocht?
  7e. Zijn niet de Uitgevers in het "literatuurvak" onze loonheeren, de eenvoudige vertakkingen van het kapitalistisch stelsel, dat de "consumtie" van boeken enz., beperkt tot een kleinen bezittenden kring van zedeleer- en begrippenmaniakken?
  Ik vermeen, dat de beantwoording dezer vragen ons, geestlijke  a r b e i d e r s  voorlopig op een zuiverder terrein houdt dan bespiegelingen van meer abstrakten aard.
  U bij voorbaat dankzeggend -
        Met de meeste achting,

HERM. HEIJERMANS Jr.

  Amsterdam, Juni 1898.
Bovenstaand Wederantwoord werd den heer Van Deyssel, even als de vorige maal, toegezonden met verzoek er Repliek op te geven. Tot heden 7 Juli ontvingen wij echter - niettegenstaande ons aandringen - geen letter antwoord. Dit valt ons tegen in den grooten "afmaker"van reputaties, die zelf een matig duwtje moest kunnen verdragen.   R e d.

Naar boven | Terug naar "Opstellen over toneel"

 


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana.
 

privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam