HERMAN HEIJERMANS
toneelschrijver in zijn en onze tijd

    Home | Opzet van het project | Heijermans Toneelwerken | Bronnen | Blog | Retraite | Over ons en contact

Navigatie

Aanteekeningen over tooneel
door Herm. Heijermans Jr.

Zoek op de site
De website
Teksten online
Project teksteditie
De poëtica
Opstellen: inleiding
Aanteekeningen over Tooneel
Tooneel en Maatschappij
Eene Antikritiek
Over socialisme en Tendenz
Franz Mehring over kunst
Aanval en Verweer XI: Gordon-Craigery
Secundair
Achtergronden
© deze website: M.G. Vonder, Amsterdam

Eerste gedeelte: Het verband tot de literatuur

Heijermans was uitvoerend dramaturg, geen theoreticus. Desondanks verschenen in de loop van de jaren verschillende artikelen, waarin hij zijn gedachten over aard en werking van theater uiteenzet. Samen kunnen zij Heijermans' "dramatische poëtica" worden genoemd.
De belangrijkste plaats nemen zijn Aanteekeningen over Tooneel in, verschenen in het maandblad De XXe Eeuw, jg. 10 en 12.
[1]
Hieronder volgt het eerste deel, de afleveringen van juni en augustus 1904: Het verband tot de literatuur. De derde aflevering over de dramaturg en de twee laatste waarin Heijermans de regisseur bespreekt, verschenen in 1906.
De tekst wordt hier min of meer diplomatisch weergegeven, d.w.z. met de oorspronkelijke spelling en interpunctie, omdat die anders teveel zouden afwijken van Heijermans', nog erg op het impressionisme geënte, stijl en woordkeuze. In plaats van onderstreping werd rond 1900 gebruik gemaakt van spaties die gehandhaafd zijn; dubbele hoekjes zijn vervangen door dubbele aanhalingstekens, en in de tekst zijn enkele extra witregels gegeven.

 

I. Het verband tot de literatuur.

  Met het schrijven dezer Aanteekeningen heeft de eigen poging om daadwerkelijk voor het Tooneel te arbeiden betrekkelijk gemeen. Geen grieven noch teleurstelling drijven. De bedoeling is leering te strekken, gebaseerd op ondervinding, met vermijding eenerzijds van den deerniswaardigen toon-van-critiek, die als een bol-geblazen, goor hemdje de meeste onwelriekende krante-lijfjes omgrunnekt, met verwaarloozing anderzijds van die opperste gemaniereerdheid, welke in nevelen en rillerige beeldspraak eene houding zoekt en met een onmachtig, voos kunst-ronron den algemeenen toestand bezwaarlijker en verhaspelder afbeeldt dan hij als product der tegenwoordige samenleving in waarheid is.

  De basis voor alle levend tooneel is in eerste laag de literatuur. Wat in diepere geleding de literatuur bepaalt, moge hier rustig voorbijgegaan worden, daar de technische bespreking van het Tooneel die nadere bepaling missen kan en we overigens ter plaatse waar het noodig zal blijken, van zelf de aansluiting hervinden.
  Een land zonder schoone, wakkere literatuur kan wel eene schijn-weelde van dramatischen bloei, een overdaad van spelen, als het geschitter van simili-steenen in avond-praallicht stellen, evenwel zonder innerlijke kracht. Zoo geuren en kleuren afgesneden, ontwortelde bloemen eene verheugenis die te sterven staat. Nooit had het land der letteren het Tooneel tot voedster-moeder.


In de sfeer van schijn-drama: Heijermans in 1922 met Gerhart Hauptmann (links).
Bron: www.geheugenvannederland.nl/Spaarnestad Photo
Duitschland met z'n sterk getal dramatische auteurs is in de bedoelde sfeer van schijn-drama. Welke beginsel-verschillen, welke diepten van levens-inschouwing de hollandsche kunst-frischheid scheiden mogen, er is aan onze zijde eene veelvuldigheid, een ernst, eene blijmoedigheid, een ontleden en prachtig door-proeven van taal-materiaal, eene strengheid van overwegen, waarvan de hedendaagsche duitsche letteren-kunst nog de slappe eerste stappen heeft te leeren. Immers de uitingen van een land hebben wij niet te meten naar het bewegen van een ontwaakten enkeling: de màssale indruk der duitsche kunst-van-het-woord verhoudt zich tot dien van Holland als grove rhetorica tot bewusten eenvoud. Omdat in Duitschland - het eene voorbeeld is afdoend [2] - de algemeene staat der letteren zo weinig kernhoudend blijft, kan de situatie van het drama in dat land niet anders dan wormstekig zijn. Dit moge nader blijken en in zijn bewijs de hoofdmotiveering voor vele opmerkingen over spel, régie, directeur-schap, enz. worden.

 

  Wanneer het iemand gelukt een waarlijk goed-geharmonieerd, wel-gebouwd drama-van-den-tijd te schrijven, dan heeft hij het welslagen aan de gevorderdheid der hem omringende literatuur te wijten. Elk auteur eener voortreffelijke novelle, elk componist van een gaven roman, is in den grond een tooneelschrijver. Zoolang hij zijn novelle- of roman-figuren als lèvende menschen met een levend gebaar en eene levende spraak voor zich z i e t, zoolang hij in eenzaamheid arbeidend inderdaad de vleeschelijke z i e n i n g heeft der "schwankende Gestalte" [3] en met zacht-ademhalende gedrevenheid zijne visie ondergaat - "Ihr drängt euch zu! Nun gut, so mögt ihr walten..." -, zoolang hij de goddelijke slaaf is van het visioen, werkt hij voor het tooneel. Zelfs waar hij ziels-analyse geeft in bladzijden-lange verfijning gaat hij in de lijn van het drama. De scheiding begint als eerste hoofdzaak bij het loslaten der personen-ziening. Een roman-schrijver kan zonder den lezer te ontstellen de klaarheid zijner figuren-visie eene wijle laten glippen. De schoonheid van bijkomstigheden zal den lezer blijven boeien.

  In een roman gedoogen wij gaarn dat tijdelijk het scherp gebaar van een mensch tot geschaduw verdoezelt, mits de welgevormdheid der epische beschrijving, de macht der bijzonderheden, ons in spanning houdt. Na de lezing van een fraai boek, doet zich het opmerklijke voor, dat in ons geheugen, in onze napeinzing, zekere hoofdlijnen en fragmenten, als gebeitst in een vervagenden achtergrond staan. Zelfs na een uitnemend hoofdstuk willen we wel eens met gesloten oogen het gebeurde her-zien, hetzij als eene raak-gebeelde figuur, hetzij als eene pracht-handling der natuur. De totaal-impressie, het blijvende, de botsing, de kern gewordt in bezinking tot het essentiëel drama van den romanschrijver.

  Begint de scheiding tusschen literatuur en tooneel-literatuur bij het loslaten der personen-ziening - die scheiding voltooit zich bij de dièpere beschrijving van stemmingen, het opdringen van teere sensaties, het kleuren der natuur, het bekoorlijk arbeiden in tinten en nuances. Indien een boek bestemd was om aan tijdsregelen gebonden, aan eene verzameling toehoorders te worden voorgelezen, het zou door ons anders worden samengesteld. Maar een boek vraagt de aandacht van één ongestoord man en het tooneel de verruimde aandacht eener gemeenschap. Wat ge voorleest aan een vriend in uw kamer, neemt in het openbaar andre verhoudingen aan. Wat u tóen gevoelig of wel geestig geleek, wordt bij de meeluistering tusschen honderden die ge niet kent, slap en onnoozel. Eene menigte denkt en voelt anders dan gij en dikwerf verdwijnt uw ik in de aandoening of onaandoenlijkheid dier menigte.[4] Een roman, een vers, eene beschouwing uiten we voor eene gemeenschap die we met onze gedachte niet benaderen, waarvan de begrijpende enkeling ons reeds lief is - een drama bindt ons dadelijk en onvoorwaardlijk aan perspectivische lijnen, aan de stemming, den lach eener menigte. In een menigte toe-hoorend kunnen we worden meegevoerd door een redenaar, hem mede toejuichen, mede vòlgen - doch in eenzaamheid zijn gedrukte rede lèzend, stuiten we op beeldkeuze, motieven. Omgekeerd dringt een "voordrager" die de dwaasheid begaat een làng gedicht, een drama, een proza-arbeid tot de sentimenten eener massa te brengen, ons een gruwlijke verveling op. De scheiding tusschen literatuur en tooneel-literatuur is eene noodzakelijke. Al is de band hecht, de groei egaal, de ziening strakker of minder strak voltrokkken.

  De tooneelschrijver die niet daaglijks ademhaalt in de literatuur van zijn land, die niet oog-glanzend geniet van de visie der òngebonden auteurs, die niet heerlijk-weggedoken de "schwankende Gestalte" van derden zièt bewegen, wankelen, aan-stevigen, is nauwlijks meer dan de bruute décorateur, die met die en die verf die en die effecten bij avondlicht, op een afstand, weet te berekenen. Elke werkelijkheid is eene na-gedroomde en elke droom leeft in werklijkheid. De voortreffelijke opmerker, nièt-tooneelschrijver, kan ons eene figuur op zeker moment-van-leven zoodanig in een complex van zinnen-benadering uitbeelden, dat het gelaat, de oogen, de mond, het lichaam, de armen, de beenen in eene volledigheid tot ons komen, in eene droom-werkelijkheid zóo groot, dat het leven, de gebaren, de bewogenheden dier figuur ons sterker aandoen dan mogelijk de persoonlijke waarneming. Als een uiterst voorbeeld zij een fragment van Van Deyssel gegeven: A l s  h e t  d a g  w o r d t... XXe Eeuw Maart 1904).
  
  "Onder zijn haren, die kort waren en naar voren stonden boven aan zijn voorhoofd-blank, was niet in 't midden maar alleen daar naast te zien hoe zij aan zijn hoofd bevestigd waren. En dan op zij, achter aan het lichtere slapen-blank, waar niet het schaduwtje van de boven-haren over was, was dat heel goed te zien. Daar waren de haren wat lichter van kleur en zij lagen er langs, stil neêr langs de effen slaap, naast elkaâr als naaldjes van zij in een bosje. Lager was ook nog een vlokje. Dit lag luchtig want het raakte het blanke vel er onder bijna niet aan, van onderen in een spits sliertje eindigend voor het oor. En dit was zo leuk misschien, om dat daaronder geen haren meer waren, maar alleen het blank van zijn blanke en licht roode wang. De haren waren bruin boven aan en van boven naast zijn gezicht, en dan zag men ze onder en achter de oortjes nog eens weêr.
  Boven op zijn hoofd waren de haren met donkerder plekken waar ze wat opgestreken stonden en je tegen de haren in keek en met lichtere waar ze neêrliggend waren en je over hun bruinheid en hun zachtheid heen keek. Je zag dat het overal vele afzonderlijke haartjes waren, en toch waren zij samen éen iets als het haar."

  Oogenschijnlijk mal en futiel, niet waar, dat met genegenheid detailleeren van dingen in schijnbare overtolligheid? Doch, als wij als auteurs sprekend, deugdelijk beseffen dat hier geen mede-auteur aan het woord is, die griezelige aanteekeningen heeft staan maken bij een slapende, dat niet een onzer er een reportersboekje op na houdt voor zachte benaderingen, dat al zulke eindelooze détails gegrift waren in eene ernstige, in liefde toegewijde  z i e n i n g, dan geeft ons zulk een fragment de weldadige aandoening van een supérieuren gebaar- en houding-ontleder, die in zijne visie voorwerpen en menschen tot in het bijzonderste be-droomt. Een tooneelschrijver dient zich in dat zorgvol-gegrepene te verweelderigen. Want zoo hij in de clair-voyance van arbeid is, staan, hartstochtelijken, ademen, hijgen, weenen fel-levende menschen om hem henen. Men m a a k t, althans zo denk ik het mij, geen stelletje d r a m a t i s  p e r s o n a e. De tooneel-auteur die op het eerste blad van zijn werk, als een simpele, zich voorneemt de figuren A. B. C. D. E. F. in volle werkelijkheid te doen handelen zonder dat hij die figuren z i è t, kan alleen v a n  h e t  m o e i l i j k s t  o n t d a n e literatuur-deel produceeren: op de planken, bij eene ànders luistrende en kijkende gemeenschap, zal zijn werk de proportie aannemen van iets verwrongens, onnoozels, lachwekkends. Is de figuur A. een grootvader, dan móét de tooneel-auteur een bepaald wezen van vleesch en bloed, met eene bepaalde houding-van-rug, met bepaalde zoo-en-zoo gevormde handen, met bepaalde grijze of donkere oogen, met een bepaalden neus en eene bepaalde haar-inplanting voor zich zièn. Heeft die figuur A. smart, dan móét op het oogenblik dat de pen schrijft:
A. (smartelijk)... Ik kàn dat niet, noù niet, nòoit niet... -,
in de verbeelding, de gekende figuur A., in smart-houding tot hem staan, dan moet hij den adem hóóren, de schaduwlijn van neus naar mondhoek zièn verscherpen, de oogen zièn vochtigen, de knokelhand zièn krimpen. Die figuur A. móét in de ziening van den auteur een mensch zijn, die hij kènt, dien hij gekend heeft, een oom, een bakker, een officier, een overbuurman, een niet-gesproken straatfiguur, waarvan het gelaat met afwijkende trekken, een beslisten indruk achterliet. In de vrije wereld der fantasie zal de oom, de bakker, de officier, de overbuurman, de niet-gesproken straatfiguur, de scheppings-mensch van den auteur worden, met gedachten, neigingen, gebaren in verhouding tot het gekend lichaam. Het vallen, hopeloos maar even opdobberen der meeste theaterspelen is de fout van den auteur die in de verdwazing van gesprekken-peutering, in de saamstapeling van dikwerf fraaie vraag- en antwoord-betoogen buiten het visionaire bleef. Lukraak wil dan wel eens het begrip der vertoonenden het niet-geziene aanvullen en heeft op die wijze een eersteling succes, maar de man die van meet af de geluiden, gelaten, gebaren zijner figuren her-gaf, dus niet op goed geluk probeerde, de man die in de literatuur van zijn land als eenvoudig mede-werker staat en voortdurend zijne zieningen aan die van uitnemende àndere zieners toetst, die man zal bij tijden ongeslaagde produkten leveren, maar zijn lijn van werken zal hem op de been houden, hooger voeren.

  De voorbeelden zijn onuitputtelijk. Sla E e n  L i e f d e van Van Deyssel op, alweer even als straks genoemd fragment een hoogst òntoneelmatig werk. Marinus komt voor het eerst bij Mathilde op bezoek. Zoo treedt de kantoorbediende bij mevrouw binnen: "zijn blonde hoofd een beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marinus met een linkschen stap binnen". Let gij, dramatisch auteur en gij régisseur en gij tooneelspeler nu eens goed op en trekt leering uit zulk eene korte beschrijving. In de literatuur-van-het-tooneel, zou niets anders te lezen zijn dan bijv.: "D e r d e  T o o n e e l.  M a r i n u s-M a t h i l d e". Het gepraat zou er ineens op los gaan. Op de tooneel-repetities maakt ge u nauwlijks een voorstelling van zoo'n entree. Nu dan - Marinus praat wat "tekst" en valt op een gegeven moment Mathilde in de rede: "O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel goed, dat u het anders... als men ziek is, niet waar, dan hindert de minste kleinigheid". Een fijn-gevoelend regisseur - we hebben er helaas niet één in ons land - zal over die paar woorden in verband met de situatie iets te beweren hebben en vooral ter plaatse der titteltjes, na het woord anders, zeer nauwlettend de houding van lichaam, handen, gelaat van den tooneelspeler Marinus bestudeeren, immers het "als men ziek is, niet waar, dan hindert de minste kleinigheid", komt op een plan van ùitweg-zoekende verlegenheid. Daarna, teekent de ziener Van Deyssel weder persoonlijk de figuur: "De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist achter elkaâr had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren van den winter. Met zijn groote, wijde, lichtblauwe oogen, met in 't midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot onder zijn haar steeg."

  Stel de cursiveeringen tegenover de gewone tooneel-literatuur-aanduiding: M a r i n u s (verlegen)... en ge ziet wat een denkend tooneelauteur zièt, als hij één adjectief gebruikt om den speler zijn zoogenaamde intentie te demonstreeren. Iets verder in denzelfden arbeid (Blz. 232, 2e druk), geschiedt de meest aangescherpte tooneelkunst:
  
"Mathilde zat op in bed, in een hevigen aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond links, in het doorgangetje tusschen het ledikant en het behangsel. Zij hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed, werkten met de compressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen, als zij weêr rechtop ging staan en haar armen naar zich toenam, na over het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde lust beving hem. Hij voelde een komenden stormwind opruischen door zijn leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand terugtrekken. - O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen te-rugzonk".

  Ziedaar een korte ontleding van stil spel [5] voorafgaand aan één uitroep, als een zieke vrouw haar man op die wijze met eene diensmeid betrapt. Wanneer ge voorts leest het stil spel van Mathilde als ze weder alleen is, fragmentarisch te lang om hier te citeeren, dan verlustigt ge u opnieuw in eene schitterend-volgroeide personen-ziening, zooals het tooneel ze eischt, zooals een fraai land-van-letteren ze uitbundig kweekt, zooals de tooneelschrijver ze noodig heeft voor de toetsing zijner eigen beelden, zooals ze - alweder helaas - op het tooneel in Holland grootelijks in dompe onmacht begraven worden, omdat er geen tijd tot voorlichting, maar nòg minder voorlichting zelve is.
Daar hebt ge Van Looy's F e e s t e n, een boek dat door beoefenaren van het tooneel nooit gelezen is, omdat het nòch tooneel, nòch recensie, nòch voordracht-zaak is. De geheele bladzijden 116, 117, 118 zijn van de meest superbe ziening van éen man, in een bepaalde kamer, in éen bepaalde houding. Die dood-zieke grijpt aan het eind van blz. 118 de beddekwast om voorzichtig zich neer te leggen en praat hardop:
- "'t Zal toch wel vreemd zijn, wanneer 'k hier niet meer ben".
De bladzijden 116, 117, 118 zijn als indicaties voor het tooneel waardeloos - wij zouden met een páár woordjes volstaan: als leering voor tooneelschrijver, directeur, regisseur, speler, décorateur, ver-lichter zijn ze eene kostelijke gave.

  In ons land heeft de tooneel-literatuur, voor zoover die er is, een normale groei uit de gewone literatuur. Waar de akker door méér-uitgebreide beschrijvende ziening nog niet bereid is, zal de technische routine den auteur door de bezwaarlijkheden héen helpen, maar het prachtig òngezegde (i.e. de indicaties), het innerlijke, de harmonie van woord en gebaar zullen hem ontgaan. Om die hoofdreden heeft thans Duitschland een wormstekigen voorraad perspectivische kunst zonder deugdelijken ondergrond. Om diezelfde reden wordt in de betere stukken van het eigen land, in hecht verband tot de literatuur eene centraliseerende actie als onnoodzakelijk en onkunstzinnig verworpen. De brave gemeente die haar oordeelvelling durft geven over iets, waarvan zij noch de beweegredenen, noch den bewusten wil begrijpt, aanschouwt nog immer het bouwen van een zwaar-binten-geheel (klassieke en romantische periode) als eene benauwende moeilijkheid die de detailleerende kunstenaar tracht te over-worstelen. Groote actie, streng-doorgevoerde karakters, stevige lijning vormen zoo wat de traditioneele poespas der denkers voor wien z i e n i n g een raadsel-ding is. Het eenvoudig axioma dat het scheppen van een tooneelwerk in de oude, doode sfeer, minder zienersmoeilijkheden, minder aandachtige wijding, minder kunst vergt dan de detailleerende visie, schijnt dien heeren een jeugdfout, een onvermogen. En tegen diezelfde ontluiking op een reeds bloeiend veld-van-letteren, verweert zich eveneens het stram-knooklig tooneel, dat geen sprankje literatuur kènt en in hopeloozen modernen e e n v o u d - gevolg van het import uit literatuurlooze landen - stuiptrekt. Met uitzondering van een paar door de gratie van hun talent en intuitie zienenden, nemen wij hier als regel fantasie-looze, stumperig-geleide diletanten waar, die spreken, desnoods in tóóntjes spreken wat de auteur zwart op wit gaf, maar van het òngezegde geen geluid hebben vernomen.

Naar boven

 

 

II. Het verband tot de literatuur

[vervolg].

  Strenger axioma dan het in de vorige Aanteekeningen betoogde, i.e.: h e t  l a n d  z ò n d e r  d e u g d l i j k - l i t t é r a i r e n  o n d e r g r o n d  k a n  s l e c h t s  e e n  w o r m s t e k i g e n  v o o r r a a d  p e r s p e c t i v i s c h e  t o o n e e l k u n s t  h e b b e n -, eenvoudiger hoofdstelling is moeilijk te geven.[6]
Met het nièt aanvaarden, verwerpen of bepeuteren dezer waarheid, stelt men zich kitteloorig tegenover het levendst deel van elke gezond-geworden literatuur. Er is thans in Holland geluids-eenheid. Emants, De Koo[7], meer andren met schrijver dezes, leven in het geluid van Van Deyssel, Van Looy, Frans Coenen Jr., enz. De aanloop, de levens-aanschouwing moge verschillen: de vorm geschiedt in begrepen wisselwerking. Staat morgen een drama-schrijver op, die zich in vers-maat uit, dan zullen wij rustig de kranten-hysterie over het schoone drama, de actie, de bijstere wijsgeerige gedachte in lodderslaap laten bezwijmlen en bij het in druk verschijnen van het werk zonder aarzling of genade het geluid des nieuwen dramaschrijvers toetsen aan Gorter, Kloos, Perk, Henriëtte Roland Holst, enz. Daar is geen middenweg. Metrum-geknutsel, rijmhandigheid, boeiende, gloeiende handeling nemen ons niet meer te grazen. Wij hebben naar alle zijden geleerd, geleerd het licht en de schaduw der taal, geleerd de ontroeringen van eenvoud en klaarheid - we bekijken minachtend de bewierooking van een actie-zwaar vers-drama, zooals er zoovele in het buitenland waarlijk ge-wrocht worden en weten één enkel geluid-rijp sonnet aandoenlijker en waardiger dan perspectivisch bedrog.

  Indien de fransche, duitsche, engelsche, noorsche, russische literatuur-van-heden een overweldigende klank had, zou onze eigen literatuur er door beïnvloed zijn en onze tooneel-literatuur zou zulks in dadelijke lijn weerspieglen. Zola, Shelley, als voorbeelden, hadden een na-klank in deze landen - de gezamenlijke tooneelschrijvers-van-heden in gehéél Europa, hebben nòch tot onze letterkunde, nòch tot onze tooneel-letterkunde, iets gezegd. Maeterlinck en Wagner behoeven we niet uit te zonderen, omdat Maeterlinck vóór alles letter-arbeid produceerde en Wagner meer musicus dan woord-dichter is [8]. Ibsen, Bjornson, Hauptmann, Halbe, Hartleben, De Brieux, Arthur Jones, Gorki, om er eenigen der bonte rij van succes hebbenden te noemen, gaan als vreemden aan onze letterkundige rijpheid voorbij. Over den dràma-schrijver Maeterlinck kan iets waardigs geschreven worden, over Wagner onder voorbehoud - ànderen zullen ons niet verlokken een goede levenslust te verliezen in het doodloopend slopje van on-letterkundig drama. Ik herhaal wat ik in den aanvang zeide, dat het geenszins de bedoeling dezer Aanteekeningen is den algemeenen toestand bezwaarlijker voor te stellen, dan hij als product der tegenwoordige samenleving in waarheid is, ik herhaal dat de groene dagen om derden met breeden ronron-zwaai neer te daveren, voorbij zijn. De letterkundige maatstaf voor tooneelarbeid is even zeer beslissend, als de practische opvoering een product tot literatuur of tot tooneelliteratuur stempelt. Met successtukken zonder littéraire basis geraken we op het terrein van vermakelijkheid, gelijk staand met het circus, of in de sfeer van ethische roerselen, equivaleerend met een wel-beslagen preek. Een slecht kijkstuk, evenwel littérair zuiver, houdt ons op den weg naar het doel. Alleen met littéraire stukken heeft kunst gemeen. Wat zònder taal-hoedanigheden op de menigte inwerkt, is uit kunst-oogpunt uit den booze. Bij de opvoering van elk buitenlandsch en in-landsch stuk heeft men als opperste beslissing de vraag te stellen: kenmerkt het vertoonde zich door licht en schaduw, door eenvoud en ontroering van taal? Blijkt het dat de taal een geduld of lastig aanhangsel van intrigue, handeling, karakterbouw is, dan bepraate men het geval als een te water geraakt dokterskoetsje, als een brandje-driehoog-achter, als een politie-zaakje, en vermijde alle bol, rommelig gekal over kùnst.

  De éérste eisch van ernstig tooneel is littérair begrip, littérair sentiment, littéraire smaak. En juist omdat in het daaglijksch rumoer om en over het tooneel - het daadwerklijk tooneel dat ons belangstelling inboezemt - bij voortduring de malste vergissingen in superbe waanwijze onnoozelheid, begaan worden, lijkt het dienstig die fundamenteele waarheid nog eens stofvrij te maken. De duitschers die aan drama doen, hoe gelukkig hun perspectivische kunst ook somtijds slaagt, staan buiten onze littéraire genegenheid. Hauptmann's W e b e r groeit op fransch-naturalistischen bodem, niet uit eene bestaand-duitsche literatuur. In V o r S o n n e n a u f g a n g heeft hij datzelfde houvast nog - dan bodemloos verwatert hij in tooneel dat tooneel, dus amusement is.[9] Geeft hij eene indikatie van gebaar of zielstoestand, dan is hij mat, traditioneel-slap. Zoo we Hauptmann of een der andere levende duitschers voor het dilemma stelden, eene eenvoudige indikatie: "neemt het geschenk met bevende handen aan," - nader beschrijvend, in littérairen vorm te vervoltooien - zijn onmacht, zijn volkomen wormstekigheid zou afdoende blijken. Een inderdaad z i e n e n d dramatisch auteur, moet er zekere smart in vinden, zeker ruw bederf van zijne visie, dat hij in momenten van levendste ontroering het fantasie-spel ontwricht door een slap, niets-zeggend, niet-uitsnijdend - "met ingehouden smart." Van zulk eene "ingehouden smart" zou men gaarne met scheppingsweelde de houding, het gelaat, de klank der stem beschrijven. Ik gaf de descriptie-voorbeelden van Van Deyssel en Van Looy. De duitschers modderen over dat allerbeste heen. De duitsche literatuur "doet" niet aan zorgvuldige détails. De duitsche tooneel-literatuur heeft er gevolglijk geen weet van, drijft op de knapheid der vertooners en op eene doorgaands verzorgde régie. Zoolang wij in de duitsche tooneelschrijfkunst geen door de geheele hollandsche literatuur voorgestane en bevochte schoonheden waarnemen, weigeren wij haar belang te erkennen, noch den tooneelschijn voor het littéraire wezen te aanvaarden.

  Volkomen om dezelfde motieven, onderscheiden we critische meeningen over tooneel-literatuur. Het smalend spreken over door dagbladen betaalde heeren, met hun al of niet "verstand van het tooneel" enz., heeft alleen zin, wanneer men deze over kunst-bewerenden schift in goede auteurs en malle reporters. Een goed auteur kàn tooneel-literatuur beoordeelen, omdat hij zèlf beschrijvende ziening gaf. Hij weet waarschijnlijk te toetsen, te ziften. Een goed auteur zal van zeker oogenblik voortreffelijk spel eene voortreffelijke beelding-in-woorden kunnen geven. Het dufst draakje kan zijne verbeelding, daar en daar, treffen en hem prikkelen tot beschrijvende literatuur. Een goed auteur, luimig of op z'n teenen getrapt, uitbundig of stemmingsmensch, is van huis uit een goed begrijper, een mede-ziener, een achtenswaardige. De meening dat een niet-schilder het artistiek recht heeft over een schilderstuk, een niet-auteur over letterkundigen arbeid, een niet-musicus over muziek, een waardehebbend vak-oordeel te schrijven, is bij de afzonderlijke vervolmaking der kunsten eene onjuistheid gebleken. Zoo goed als op wetenschappelijk gebied vergt deze tijd een toegewijde studie van onderdeelen èn de aangerboren neiging. Iemand die volkomen-gevoelig de nuances van proza beoordeelen kan, heeft de potentie tot eigen schepping. Neemt hij den bedrieglijken schijn aan de artistieke analyse machtig te wezen, dan zal ons wel spoedig in het warm-geloopen deel zijner proza-beschouwing, woordkeuze, beeld-stelling, zin-klank, op pootige wijze afstooten, ook dan wanneer hij eenig gezond verstand en eenigen gangbaren smaak ver-toont. De letterkundige of andere kunst-begaafdheid is niet de mindere van die van een timmerman, smid of pasteibakker. Als een eerbaar raadslid tot een schoenlapper zoude oreeren: "mijn vriend, gij hanteert uw elst verkeerd - gij versnijdt meer leer dan noodig is," - dan zou de schoenlapper in schafttijd tot zijne vrouw glimlachend spreken: "mijne vrouw, er is zooeven iets zéér grappigs gebeurd." Welk domme, verwerpelijke aanmatiging, laten wij taal-arbeiders evenwel niet toe van honderd-en-een artistiekerige òn-vakkundigen? Literatuur is een bijzonder verfijnd-moeilijk vak. Dat weten de vak-menschen die jaren en jaren in wanhoopjes en onvoldaanheid wèrken, herwerken, opnieuw beginnen, ongetroost door het succes van hun minst beploegden arbeid. Tooneel-literatuur, nièt meester over de practische ver-beelding, nièt de vertooners, de plastiek, de mimiek aan leidselen houdend, enkel gaaf en ongerept in de uren dat de visie lijn, vorm, kleur, klank, zag en hoorde - tooneel-literatuur is een ietsje inspannender dan de oppervlakkige gelooft. Uitsluitend de goede auteur (als ziener) kàn tooneel-literatuur op haar zieningswaarde taxeeren, kan de taal toetsen aan zijn wèten van taal, kan het spel de maat aanleggen van zijn gedachte-spel. Daarom hebben wij in zake tooneelcritiek het recht den goeden auteur als gezaghebbende te erkennen, mits hij een stuk eerst zorgvuldig en in bezonkenheid leze, ter vermijding der als pasmunt gangbare vergissing om wat het spel-van-dezen-tijd in Holland van het ge-indikeerde terecht brengt, als de heusche, echte ziening van den auteur te verslijten. Onder die reserve een saluut aan de hollandsche proza-schrijvers en dichters, die aan dag- en weekbladen medewerken. Het resteerend soort malle reporters kan onbesproken blijven. Zij zijn voor eene krant, als nieuwsorgaan noodig, doch een kankerend gevaar. Nièmand heeft wat van deze lieden te leeren. Zij hinderen dikwerf door wan-begrip of oneerlijkheid directeuren en spelers in hun bróód. Dat is het onmiddellijk-ergerlijke en onvergeeflijke. Het vroeger kunst-gekerm hield daar geen rekening mede. Wij zijn wijzer geworden. (Te vervolgen)

________

Noten
1. Gebruikt is de gebonden uitgave van kwartaal drie en vier, resp. p. 371-380 en 251-255.
2. Heijermans en zijn vrouw waren in het najaar van 1901 in Berlijn geweest om de opvoering van Op Hoop van Zegen door het toonaangevende Deutsches Theater van Otto Brahm bij te wonen, zie o.m. Marie Heijermans-Peers 1927, p.50-61.
3. Uit de opdracht ("Zueignung") bij Goethes Faust, deel I, eerste strofe, evenals het eropvolgende citaat. (Retr. Project Gutenberg)
4. De werking van de massa die Heijermans hier beschrijft, duidt niet alleen op het publiek in de zaal, maar op het massapsychologisch denken zoals dat rond de eeuwwisseling begon te ontstaan in de kunst met termen als 'Gemeenschapskunst', en in de wetenschap van na de Eerste Wereldoorlog werd uitgediept in werken als Massa und Macht van Elias Canetti en Die Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler. In een socialistisch tijdschrift als De Nieuwe Tijd werd er druk over gespeculeerd.
5. "Stil spel": Heijermans zet zich af tegen het nog altijd heersende grote-gebarentoneel van de romantische school, waarin declamatie de eerste toneelwet was. Zie verder het Commentaar.
6. "Perspectivische toneelkunst" d.i. het toneel van de grote zaal, verdeeld in plans: voor, midden en achter; ter onderscheiding van vaudeville-theater, kleine zaal, voordrachtskunst e.d. Uit het gegeven dat Heijermans meedong naar de bespeling van de Amsterdamse Stadsschouwburg in 1919 en vervolgens theater Carré als huistheater koos, blijkt dat hij zich tot het grote toneel bekende.
7. Van Marcellus Emants (1848-1923) zijn alleen nog enkele naturalistische romans bekend, met name Een nagelaten bekentenis; hij was echter een bekend dramaturg van het realistische toneel, met stukken als Domheidsmacht dat in zijn pessimisme vagelijk doet denken aan Strindberg (Hunningher 1947, p. 43-44). Zijn fortuin stelde hem in staat zijn toneelspelen zelf te laten opvoeren. De Koo wordt zelfs bij Hunningher slechts terloops genoemd, als mede-auteur van De Candidatuur van Bommel met W.G. van Nouhuys (later vooral criticus, id. p.25, 90)
8. Auteur van L'Intruse en twee andere symbolistische stukken, die een soortgelijke invloed hadden als het werk van Wedekind. Het thema van de blinde uit Les aveugles (1890) komt meermalen in het werk van Heijermans voor. Pelléas et Mélisande werd door Debussy op muziek gezet.
9. Vor Sonnenaufgang (1889) was het debuutdrama van de in Sleeswijk (thans Polen) geboren Gerhart Hauptmann; Die Weber over de opstand van textielarbeiders in 1844, werd gepubliceerd in 1892 en ging het volgende jaar in première. Heijermans ontmoette de twee jaar oudere Hauptmann in zijn Berlijnse tijd, 1908-1911. Oorspr. gedicht van Heinrich Heine: "Die schlesischen Weber" (1845).

Naar boven | Deel II: De dramaturg | Deel III: De regisseur


HH site
Web

150 JAAR
Herman Heijermans

Jubileumactie

Doneren aan het project

 
Sitemap
colofon
Deze website is gestart op 3 december 2014,
bij gelegenheid van de 150ste geboorte­dag van Herman Heijermans Jr.
De pagina's zijn handmatig gezet in Verdana.
 

privacy en disclaimer
Persoonsgegevens, zoals NAW en email-adres worden uitsluitend gebruikt met toestemming en ter informatie. Deze website maakt geen gebruik van cookies.
Deze website is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor eventuele schade, ontstaan door fouten in de inhoud, aanvaarden wij echter geen aansprakelijkheid.
contact
email: M.G. Vonder
post: W. Passtoorsstraat 12-1
1073 HX Amsterdam